In 1847 en de daarop volgende jaren bracht de pas naar Londen uitgeweken Delepierre Conscience en de Vlaamse letterkunde onder de aandacht van de Engelsen via een reeks anonieme bijdragen in het tijdschrift The Athenaeum. De identificatie van deze stukken in het Athenaeum Indexing Project geeft een zicht op de volledige reikwijdte van Delepierres artikels en laat ons toe de gekende gegevens  in een bredere contekst te plaatsen.

De vroegtijdig afgebroken artikelenreeks over de Vlaamse letterkunde is intrigerend omdat ze op een ogenblik dat Europa zich afvroeg of België haar onafhankelijkheid zou bewaren, – en wellicht wel net daarom – reeds een beeld trachtte te schetsen van de jonge Vlaams-Belgische letterkunde. Ze roept een aantal vragen op: Wat waren de uitgangspunten van Delepierre? Waarom besliste The Athenaeum om een beschrijving van een pas heroplevende en vaak niet in het Engels beschikbare letterkunde te publiceren? Wat was het beeld dat geschetst werd en op welke manier paste dat in de verwachtingen van het negentiende eeuwse Britse lezerspubliek?

Van Franstalige nationale monografie naar Engelstalige artikelenreeks over de Vlaamse letterkunde

Uit de bewaarde briefwisseling leren we dat Delepierre oorspronkelijk van plan was in 1846 een Franstalig overzicht van de recente nationale literatuur uit geven. Hiermee was hij niet aan zijn proefstuk. Reeds eerder had hij in zijn eigen nationale cultuurhistorische overzichten Aperçu historique et raisonné des découvertes, inventions, innovations et perfectionnements en Belgique (1836) en La Belgique illustrée par les sciences, les arts et les lettres (1840) de oudere Vlaamse letterkunde een ruime plaats toegekend met verwijzing naar Willems’ Verhandeling.  Ditmaal zou hij enkel de moderne letterkunde behandelen. Hiervoor vroeg hij informatie op bij o.m. Snellaert en Conscience. Deze laatste stuurde hem op 11 juni 1846 teksten en lijsten door met namen en titels met betrekking tot de Vlaamse letterkunde. Voor de Franstalige kant van het land raadde hij hem aan contact op te nemen met de Brusselse letterkundigen.

Delepierres opzet om ruime plaats te geven aan de contemporaine Nederlandstalige letterkunde is in meer dan één opzicht opmerkelijk. Kort daarvoor, immers, had Auguste Baron reeds een overzicht van de actuele Belgische letterkunde gegeven in La Belgique Monumentale, een prestigieus project om het culturele kapitaal van de Belgische natie in kaart te brengen. De Vlaamse taal krijgt er geen plaats voor hogere functies als bestuur, literatuur, onderwijs en wetenschap (Baron 1844). Enkel Willems, David en Conscience worden even vermeld als filologen en De Laet als (vermoedelijk Franstalige) essayist. Ook Paul Devaux stelt enige maanden later in het invloedrijke Revue Nationale dat het gebruik van het Vlaams als volwaardige tweede literaire taal een drempel is voor de intellectuele ontwikkeling van het land, behalve als het om folklore, volkspoëzie en vulgariserende wetenschapswerken gaat. Hij koppelt dit aan de praktische volks­aard van de Vlamingen « La population flamande ne se distingue-t-elle pas plutôt par le bon sens, par une conception un peu lente peut-être, mais sûre, par une intelligence droite et patiente ? » (Devaux 1845).

In tegenstelling tot de vrij algemene appreciatie van de historische Vlaamse letterkunde, was er dus allerminst een consensus over de positie van de recente Vlaamse literatuur. Ofschoon de argumenten van Baron en Devaux niet nieuw waren, was het debat intenser geworden naarmate de jaren 1840 vorderden. De erkenning van de Belgische staat in 1839 had de weg vrijgemaakt voor de verdere ontwikkeling van een moderne Vlaamse component binnen het Belgische geheel. Het Vlaamse literaire veld begon vorm te krijgen: de ontwikkeling van een eigen letterkundige productie met een eigen kritiek, de consecratie van de spelling, de verzoening van de generaties binnen het Vlaemsch Taelverbond, het verschijnen van het eerste Nederlandstalige dagblad Vlaemsch België en de taalkundige studies van Lebrocquy en Vandenhoven… Delepierres project als legitimering van dit proces betekent dus een duidelijke stellingname in dit debat. Hiermee volgt hij als Franstalige flamingant het spoor van de literatuur­geschie­de­nissen van Willems en Snellaert, die vergelijkbaar met Delepierre in 1844 de jonge Vlaamse letterkunde voorstelde aan het Duitse lezerspubliek van de Augsburger Allgemeine Zeitung.  Men kan zich evenwel afvragen of er op dat ogenblik een markt was voor een dergelijke monografie. Het project liep dan ook op de klippen. In een brief aan Jules de Saint-Genois wijt Delepierre dit aan de onaanvaardbare financiële voorwaarden van de Belgische uitgevers. Mogelijk zal ook het feit dat de Brusselse uitgever Jamar van plan was een Franstalige geschiedenis van de Vlaamse letterkunde, geschreven door Snellaert, uit te geven in zijn reeks “Bibliothèque Nationale” een rol gespeeld hebben.

Inmiddels slaagde Delepierre erin zich een naam te maken in Britse literaire kringen, onder meer in de entourage van de Britse uitgever Sir Charles Wentworth Dilke. Zowel Dilke als een aantal redacteuren van het door hem uitgegeven tijdschrift The Athenaeum waren graag geziene gasten op Delepierres literaire salon. Hierdoor kreeg Delepierre de kans om zijn project alsnog uit te voeren in een aangepaste vorm. Op 30 juni 1847 meldt hij de Saint-Genois dat hij zijn overzicht in stukken zou laten verschijnen in The Athenaeum. Het opzet zou ook beperkt worden tot de Nederlandstalige letterkunde geschreven in België. Achteraf zou hij de artikelenreeks gezamenlijk uitgeven bij een Britse uitgever en zelf vertalen naar het Frans als hij er de tijd voor vond.

Voor de selectie van de auteurs sprak hij in eerste instantie zijn persoonlijke kennissenkring aan: Hendrik Conscience, Johan Alfried De Laet, Jules de Saint-Genois. Daarnaast circuleren ook de namen van Prudens Van Duyse en Theodoor Van Ryswyck in de briefwisseling. De grote afwezige is Karel Ledeganck, wiens dood in 1847 nochtans een uitstekend aanknopingspunt bood voor een bijdrage. Dit zet hij recht in A Sketch of the History of Flemish Literature (1860).  Niet iedereen is even enthousiast over zijn initiatief. De Saint-Genois, bijvoorbeeld, weigert omdat hij bevreesd is voor aanvallen in de Belgische pers. Delepierre probeert hem over de streep te halen door te wijzen op het persoonlijk belang van zijn vriendendienst. Bovendien kan hij op die manier zijn land beter van dienst zijn (29/09/1847).

De bibliotheek van de Londense City University bewaart een “marked copy” van het tijdschrift, waarin de redacteur de auteurs bijschreef van de anonieme stukken. In  The Athenaeum index of reviews and reviewers (1830-1870) worden 18 bijdragen van Delepierre geïdentificeerd. Een eerste groep van 8 bijdragen verscheen in de periode 1847-1849 en heeft voornamelijk betrekking op de Vlaamse letterkunde. In de zomer van 1847 verschijnen drie teksten over Hendrik Conscience (26/06/1847), Johan Alfried De Laet (14/08/1847) en Jan Frans Willems (18/09/1847) die duidelijk deel uitmaken van een gezamenlijke “series of sketches of Flemish literature”. Dit project wordt vroegtijdig afgebroken. Wel recenseert hij in 1848 opnieuw werk van Conscience (Hugo Van Craenhove en Lambrecht Hensmans) samen met Felix Bogaerts’ Oude tyden. De postume uitgave van Willems’ laatste deel van de Oude Vlaemsche liederen behandelt hij samen met Wackernagels editie van Luthers religieuze liederen. In 1849 ten slotte bespreekt hij Consciences Jacob Van Artevelde. Een decennium later duikt hij opnieuw op. De stukken uit de periode 1860-1862 zijn vermoedelijk op vraag van de redactie geschreven. Ze zijn veel uiteenlopender van aard en doorkruisen de volledige Europese culturele ruimte.

books-athenaeumDat uitgerekend The Athenaeum de gastheer zou worden voor Delepierres overzicht is geen toeval. Dit tijdschrift, gesticht in 1828 in de marge van de gelijknamige club, was wellicht het eerste Engelstalige multinationale tijdschrift (Marchand 1971). Het blad richtte zich op de politieke en culturele elite in binnen- en buitenland. Het verscheen wekelijks, maar ten behoeve van de buitenlandse lezers werden de afleveringen ook maandelijks verscheept in een verzamelband. Hoewel er van meet af aan aandacht besteed werd aan het politieke, culturele en wetenschappelijke leven in het buitenland, was het vooral in de jaren 1830 onder de directie van Charles Wentworth Dilke dat het tijdschrift een internationale koers ging varen. Een imposant persoonlijk netwerk van buitenlandse correspondenten was verantwoordelijk voor nieuws en kritiek uit alle uithoeken van Europa. Delepierres artikelenreeks kan beschouwd worden als een late uitloper van een reeks nationale literaire overzichten, o.a. over Spanje, Frankrijk, Duitsland en Amerika, die vanaf 1834 verschenen. In dezelfde traditie zouden Emile de Laveleye en Paul Fredericq ruim 20 jaar later in hetzelfde Athenaeum de Vlaamse literatuur op een meer systematische manier presenteren (Demoor 1994). Het feit dat bepaalde werken niet of nog niet in het Engels beschikbaar waren, werd opgevangen door lange samenvattingen of vertaalde fragmenten. De bijdragen waren vooral bedoeld om zelfstandig gelezen te worden door een publiek dat op de hoogte wou blijven. Deze welwillende, soms wat neerbuigende houding tegenover het buitenland is typerend voor het gematigde progressivisme van het tijdschrift, dat streefde naar de emancipatie van de middenklasse.

De opname in The Athenaeum had meteen voor gevolg dat Delepierre zijn literair overzicht in een breder biografisch en politiek kader moest plaatsen. Hoewel hij het Belgische letterkundige leven van op een afstand was blijven volgen, beschikte hij over onvoldoende informatie om zijn artikels te stofferen. Aan de Saint-Genois schrijft hij dat de Britse artikels verschillen van de Belgische of de Franse. Hij verzoekt hem informatie door te sturen over zijn literaire leven, de beweegredenen waarom hij zijn Vlaamse werken geschreven had, op welke basis de onderwerpen gekozen waren en hoe ze ontvangen waren. Ook de politieke contextualisering van zijn literair-historisch overzicht is van belang om het imago van de Belgen bij te stellen. « Or il faut que je les échauffe un peu, ces messieurs les Anglais sur un sujet encore presque neuf pour eux, la littérature flamande moderne”.

Terra incognita: nationale stereotypen en het verwachtingspatroon van het Engelse publiek

De open blik van The Athenaeum was een uitzondering in de vroege Victoriaanse tijd. Vaak werd een negatief beeld van het Europese continent geschetst om er de eigen Britse identiteit in oppositie mee op te bouwen (Demoor 2002). In het beste geval stond men onverschillig tegenover de lage landen die vrij algemeen gekarakteriseerd werden door een praktische, utilitaristische ingesteldheid. Net voor de Belgische revolutie merkt een recensent van Bowrings Batavian Anthology (1824) op: “The last thing for which we should have expected to be indebted to the land of tulips is poetry. It has produced painters, but the Flemish school, though high in art is poor in fancy.” (The Eclectic Review 1824)  In 1837 recenseert Delepierre The Origin of Dutch van Joseph Bosworth, een werk dat hij in 1840 naar het Frans zou vertalen. Daarin vinden we opnieuw het nationale stereotype terug, maar dan in positieve zin. Zo wordt Cats naar voren geschoven met de motivering dat zijn dichtwerk volks, praktisch en bruikbaar is.

Ook wanneer België na de afscheuring van de Noordelijke Nederlanden apart beoordeeld wordt, blijft het beeld bestaan dat een gebrek aan intellectuele activiteit en verbeeldingskracht een inherente eigenschap is van de natie. Naar aanleiding van het werk Conscience schrijft The Dublin Review in 1846:

books-dublinreview

 

“Poor in fancy”, “purely practical people”… Hugo Dyserinck bundelt vergelijkbare uitspraken van de Franse en Duitse literaire kritiek over de Frans schrijvende Vlaamse auteurs van 1880 als een stereotyp beeld voor Vlaanderen (Dyserinck 1964). Ook voor de receptie van de Belgische kunst in Frankrijk stelt Tom Verschaffel hetzelfde vast (Verschaffel 2006).

Old Flanders

Nadat een aantal Britse auteurs in de jaren 1830 reeds Belgische thema’s aansneden (zie Onttoovering 12/10/10), is Delepierre de  eerste die vanuit de specifieke Belgische context aandacht vraagt voor de rijke cultuur van de jonge staat aan de overkant van het kanaal. In het voorwoord van zijn eerste Engelstalige publicatie Old Flanders; or, Popular traditions and legends of Belgium (Londen: Newby, augustus 1845) stelt hij dat de publicatie bedoeld is om de nieuwsgierigheid van het Engelse publiek op te wekken. “Mr Delepierre has broken rather new ground for English readers”, bevestigt The Literary Gazette. Hiervoor grijpt hij gedeeltelijk terug op zijn eigen Chroniques, traditions et légendes de l’ancienne histoire des Flandres, in 1834 uitgegeven te Brugge en Rijsel. Daarin had hij reeds het Engelse model van de “Romances of History” (p.7) gebruikt om er een groter publiek mee te bereiken: de geschiedenis onderwezen via een bloemlezing van korte, laagdrempelige novellen. Toch is Old Flanders meer dan een vertaling van het werk uit 1834. Slechts 8 van de oorspronkelijke stukken komen voor in de Engelse versie, aangevuld met enkele stukken van latere datum. De beschrijving van de ceremonie van het Gulden Vlies is overgenomen uit de Annales de la Société d’Emulation van 1842. Zowel de legende van de waterput bij het Pandreitje als die van de schouw van het Brugse Vrije zijn afkomstig uit zijn Album pittoresque de Bruges (1837, 1840), hoewel hij bij de schouw opmerkt dat recent onderzoek de legende reeds weerlegd heeft. De basis waarop Delepierre de verhalen selecteert, is hun leesbaarheid voor een publiek zonder voorkennis. Bovendien worden een aantal van de stukken grondig bewerkt in de trant van Walter Scott. Er komen veel meer dialogen in voor en de actie wordt aangescherpt. Fictionele personages en verhaalmotieven uit de romanliteratuur worden geïntroduceerd. De voetnoten vallen weg of worden minder geleerd geformuleerd. Het verhaal over de valse Boudewijn van Constantinopel groeit bijvoorbeeld uit van korte beschrijving van 13 bladzijden naar een 112 bladzijden tellende miniroman waarin tegenstrijdige overleveringen handig tegen elkaar uitgespeeld worden.

books-oldflandersZoals de ondertitel aangeeft, tracht Old Flanders het volledige Belgische grondgebied te bestrijken. Hiervoor werd het eigen materiaal uitgebreid met bestaande bewerkingen van legenden uit Gent, Maldegem, Zomergem, Vlissingen, Antwerpen (4), Maastricht en Hastière. Zo vinden we er de prozavertaling van Ledegancks Burgslot van Zomergem terug, die Delepierre in 1840 reeds voor La Renaissance naar het Frans vertaalde. Consciences “Godswraek” nam hij over uit Phantazy (1837), een bundel kortverhalen en gedichten, waar de auteur zelf inmiddels al afstand van genomen had. Misschien kreeg Delepierre de bundel ten geschenke bij het studiebezoek van 1838. “Herman de Schaliedekker”, De Laets bewerking van een Antwerpse legende is overgenomen uit Vlaemsch België van 1844. De ballade van het “Heerken van Maldegem” van J.F. De Hoon vinden we terug in Willems’ Belgisch Museum van 1838 met een voorwoord van Ledeganck. Verder herkennen we “Johan de bastaerd” van Karel Nys, de watergeuzen van Moke en zelfs een Gents verhaal uit de pas verschenen Légendes des commandements de Dieu van Collin de Plancy. Op die manier functioneert de bundel in zekere zin als een bloemlezing van de Vlaamse letterkunde uit de jaren 1830-1840. Het Duitse Magazin für die Literatur des Auslandes legt het verband met het werk van J.W. Wolf en Maria von Ploennies’ zeer vergelijkbare Die Sagen Belgiens (in voorbereiding op dat ogenblik).  Het Taelverbond waardeert het initiatief van Delepierre, maar  betreurt het dat de oorspronkelijke auteurs niet vermeld worden. Wanneer Delepierre het jaar erop naar België komt, stuurt hij zijn dochter naar Antwerpen om de plooien weer glad te strijken en de Vlaamse letterkundigen warm te maken voor de medewerking aan zijn literatuuroverzicht dat hij weer opgenomen heeft, zij het dat hij nu enkel de Vlaamse letterkunde zou behandelen.

The Eclectic Review reageert positief op Old Flanders “these pleasant, and useful volumes, written a little rashly perhaps in English by a foreigner.” Stilistisch gezien wordt hij gesitueerd als een epigoon van Sir Walter Scott en de reeds door Delepierre vertaalde Thomas Colley Grattan. Vooral de grote aandacht die hij besteedt aan de couleur locale wordt sterk geapprecieerd: “the picturesque at its true value”. Het negentiende eeuwse nationale landschap is dan ook nadrukkelijk aanwezig in de bundel in de vorm van stadsbeschrijvingen, monumenten, kastelen en natuurbeschrijvingen. Zoals hij in het voorwoord aangeeft, tracht Delepierre – zelf een ervaren gids en de auteur van verscheidene toeristische guides – in Old Flanders de brug te slaan tussen de opkomende antiquarische reisindustrie en de meer cultuur­nationalistisch geïnspireerde verhalende letterkunde. Het vertelstandpunt is dat van de autochtone gids die verduidelijkt hoe de eigentijdse geografie samenhangt met de nationale geschiedenis, verspringend van de gebruiken, gebeurtenissen en legenden uit het verleden naar projecties naar een noodzakelijke nationale toekomst. “Antwerp bears a name which is associated at every period of modern civilisation, with the memory of great, glorious, and terrible events. And who can tell, fallen as she is, but that she, having thrown to the winds her fumes of powder and fire, will yet once more seize on her ancient sceptre rusting in the waters of her mighty river? who knows whether the seeds of new glories for the future may not even now be growing within her?” (p.2) Verderop in de bundel – na de beschrijving van de gebeurtenissen uit 1302 – geeft hij aan dat de kennis van andere volkeren nog een breder belang dient: “But on a not very far distant horizon of events may be seen the flag of universal concord! The wide propagation of knowledge, promises fair a time, when the enlightened world shall struggle no more for any ascendancy but that of knowledge and wisdom, and the cry of the wounded shall cease among Christians.” (p.285-286)

Op die manier krijgen de verhalen een politieke duiding. Zich nadrukkelijk positionerend als attaché aan de Belgische ambassade wil hij dan ook aan het buitenland bewijzen dat België niet zomaar het gevolg is van een politieke beslissing en ondanks haar beperkte omvang wel degelijk over voldoende cultureel kapitaal en uitstraling beschikte om haar bestaan te rechtvaardigen. “Few countries offer a richer harvest to the imagination” (p.ii-iii) De typische “Belgian valour” (p.iv) loopt als een rode draad doorheen de verhalen, of het nu gaat om de centrale rol die de Belgen avant la lettre speelden in de kruistochten of de vrijheidsliefde en onverzettelijkheid waarmee ze in opstand kwamen tegen  vreemde bezetters. De recensent van The Eclectic Review ziet er een sympathieke vertegenwoordiger in van één van die in de geest van de romantiek heroplevende kleinere literaturen in Europa. In dit kader wijst hij op de grote rol die het gewone volk speelt in de Vlaamse geschiedenis, zodat de nationale helden evenzeer bij de kunstenaars, de handelaars en ambachtslieden te vinden zijn als bij de adel. Aansluitend bij Delepierres verzuchting over een geweldloze toekomst ziet hij een nieuwe rol weggelegd voor de Belgische natie. De grote rijkdom en werkkracht van het volk, gekoppeld aan de neutraliteit en centrale ligging van de staat geeft haar enorme groeikansen in een moderne Europese economie, die aan het veranderen is als gevolg van de “wonders of modern powers of locomotion”.

Sketches from Flemish Life

Die “eurozone” vormt het kader voor de Engelse receptie van Conscience, in de daarop volgende decennia nagenoeg het enige literaire Belgische exportproduct op de Angelsaksische markt. Reeds enkele maanden na de Duitse uitgave van drie novellen door Melchior Von Diepenbrock onder de titel Flämisches Stilleben, verschijnen in december 1845 de Sketches from Flemish Life in three tales bij Longman, Brown, Green and Longmans van de hand van hun medewerker Nicolas Trübner. Afkomstig uit Heidelberg was de toekomstige schoonzoon van Delepierre in 1843 ingegaan op de uitnodiging van William Longman om voor de Londense uitgeverij te gaan werken. Het lijkt erg aannemelijk dat Delepierre en Trübner, die beiden hun werkplaats hadden in Paternoster Row, in 1845 reeds contact hadden met elkaar. In elk geval refereert Delepierre in The Athenaeum verschillende keren naar het initiatief van Trübner. Trübners vertaling was meer dan een eenmalige bevlieging. In 1846 vertaalde hij “A visit to Wappers” een fragment uit Luise von Ploennies’ Reise-erinnerungen aus Belgien, wat erop lijkt wijzen dat hij contacten had met Vlaamsgezinde kringen in Duitsland. In 1846 doet ook het gerucht de ronde dat hij voor de uitgeverij Longman zou werken aan Engelse vertalingen van Consciences Leeuw van Vlaenderen en Hugo Van Craenhove, maar deze zijn niet verschenen (Jacob 1914).

In de Sketches from Flemish life zijn vertalingen opgenomen van Siska van Roosemael, Hoe men schilder wordt en Wat eene moeder lyden kan. Het is zeer aantrekkelijk uitgegeven, geïllustreerd met 130 houtsneden uit de Buschmann uitgave en voorzien van een uitvoerig voorwoord van de vertaler. Daarin situeert hij de figuur van Hendrik Conscience. Hiervoor baseert hij zich op de inleiding van Von Diepenbrock en een essay van Snellaert in de Allgemeine Augsburger Zeitung. Wat vooral opvalt, is de anti-Franse houding. Conscience “bears a glowing hatred to the French refinement and language which have kept his beloved country in disgraceful subserviency and mental bondage” (p.x). Hij wordt dan ook vooral geportretteerd als een schrijver voor het volk met als voornaamste kwaliteiten zijn eenvoudige en oprechte stijl, zijn beschrijvende kracht, en zijn inzicht in het gevoelsleven van de mensen. Hierdoor kan hij volgens de vertaler ook een buitenlands publiek aanspreken, in het bijzonder het Engelse volk, dat een grote verwantschap vertoont met de Vlamingen: “The author incalculates principles which have always found an echo in English hearts; he advocates the doctrines of pure religion, he develops the natural affections of the heart, he rewards virtue and unmasks vice, he praises industry and scorns idleness; and with safety it may be asserted, that it is to her full appreciation of these qualities that England is indebted for the high moral and political position she holds among the nations of the earth.” (p.xv-xvi)

Ook door de pers wordt de universele aantrekkingkracht van Consciences werk onderschreven. Hij wordt er geassocieerd met vrouwelijke auteurs als de Engelse Miss Edgeworth, de Franse Madame Guizot en de Zweedse Miss Bremer, die deel uitmaken van een symbolische ruimte die de nationale grenzen overstijgt. De Sketches from Flemish life worden ondergebracht in de markt voor sentimentele fictie die in het zog van Richardsons Pamela ontstaan was. Die had als doelgroep een transnationale gemeenschap van nieuwe consumenten uit de middenklasse, verbonden door leesplezier en gedeelde tranen voor het universele drama van het menselijke hart. (Cohen & Dever 2001). Omdat in deze teksten het individuele streven naar geluk, deugd en persoonlijke vrijheid geconfronteerd wordt met de externe eisen van de sociale of familiale context, is dit meteen ook het kanaal bij uitstek waarlangs burgerlijke liberaal-democratische codes opgebouwd worden over de landsgrenzen heen. De Sketches worden dan ook door Longman aange­prezen met sentimen­tele en opvoedkundige verkoops­argumenten: “A sort of wonderful stranger from a terra incognita” “one of the sweetest and most truly excellent lessons we ever read”, “will draw tears from many an eye”, “individual and instructive” (New works and new editions printed for Messrs. Longman, and co 1846). The Dublin Review kwalificeert het werk in een uitgebreide en zeer gunstige recensie als “light reading” in het genre van “Domestic Novel”, whose interest scarcely extends beyond the quiet circle of the home fireside” (1846, p.169). Dit soort romans hebben een grote opvoedkundige en praktische waarde.

books review sketches

Brittania vergelijkt ze met het werk van de populaire schrijfster Mary Howitt en omschrijft ze als goed uitgevoerde jeugdliteratuur die evenzeer door volwassenen gesmaakt kan worden. De verwijzing naar Mary Howitt is revelerend voor het circuit waarin hij terechtkomt. Als vertaalster introduceerde ze Frederika Bremer in Groot-Brittannië en de Verenigde Staten. In 1851 vertaalde ze Consciences Blinde Rosa voor Sharpe’s London magazine. Deze vertaling werd een jaar later overgenomen door het Amerikaanse Graham’s Magazine, dat o.m. werk van Poe en Irving publiceerde. Dit was niet de eerste Amerikaanse uitgave van Conscience. Al in maart 1846 verscheen “What a mother can endure” naar de tekst van Trübner te New York in The Young Churchman’s Miscellany: A Magazine of Religious and Entertaining Knowledge. In 1849 verscheen een bewerking van Trübners vertaling onder de titel Tales of Flemish Life, uitgegeven door Anne Charlotte Lynch. De licht geretoucheerde verhalen worden verdeeld over 2 kortere volumes en verschijnen in de reeks Dunigan’s Home Library, “a series of neatly books fashionexecuted little volumes to furnish Catholics with useful and attractive reading”. De vormgeving en de illustraties, die gekopieerd werden van de Engelse editie, maken opnieuw een inherent deel uit van het pakket dat aan de lezer aangeboden wordt. De uitgave en de doelgroep zijn dan ook zeer vergelijkbaar met Buschmanns Nederduitsche Kunstbibliotheek voor lezende huisgezinnen, waarin Siska van Roosemael oorspronkelijk verscheen. Het concept slaat aan. Al gauw vinden we Conscience terug in Engelstalige en Franstalige edities in Britse en Amerikaanse uitleenbibliotheken. Ook Delepierre staaft Consciences populariteit in zijn History of Flemish Literature (1860) met het feit dat hij opgenomen is in Franse en Britse treinbibliotheken. Tegelijk betekent dit dat de Vlaamse letterkunde, zoals José Lambert reeds stelde voor de receptie in Frankrijk, ook in het Angelsaksische taalgebied in de lagere regionen van de literatuur lijkt te blijven hangen (Lambert 1980). Conscience, in Vlaanderen een eerste­rangsauteur, komt terecht in de consumptieliteratuur en de jeugdliteratuur. De Broederhand betreurt het dat Conscience uitgerekend met zijn “kleine novelletjes” in het buitenland bekend raakt: “Men ga in eene gallery en sie daer eerst eenen Rubens, dan eenigen dosynen van  Genreschilders. Dese laetsten sullen veel aentrekkelyks voor ons hebben, dit loochenen wy niet, maer met welkens vreugde keeren wy later terug tot onsen Rubens (…) Een sulken Rubens is Conscience’s Leeuw.” (De Broederhand 1845). Bij het importeren wordt de esthetische functie van het werk afgezwakt ten nadele van de ontspannende en de opvoedende, niet toevallig rollen die beter aansluiten bij het stereotype beeld van de utilitair ingestelde Belgen. De Schotse uitgever Constable die in 1854 Consciences Tales of Flemish Life uitgeeft in zijn Miscellany of foreign literature tracht dit op te vangen door de verhalen van Conscience in te passen in de overgang naar de landelijke en realistische verhalen van Dickens, Andersen en Auerbach. Hij prijst hem dan ook aan als de Vlaamse Dickens. Het is typerend dat zowel Trübner als Constable trachten aansluiting te vinden bij Dickens door hem een presentexemplaar te sturen van hun vertaling (Dickens 1846 en 1855).

Het nationale aspect wordt erg wisselend ontvangen. Het katholieke The Dublin Review situeert Conscience passend in de Vlaamse nationale herop­leving als schepper van “a national school of fiction” en wijst op de analogie met de Ierse situatie met de verzuchting dat de Ierse Conscience gauw moge opstaan. De meeste Engelse critici hebben het echter moeilijk met de anti-Franse inslag. Chambers Edinburgh Journal omschrijft het als “a curious if not melancholy revelation of patriotic feeling” en vindt dat België ondanks haar politieke onafhankelijkheid sociaal deel uitmaakt van Frankrijk. Ook The Athenaeum heeft het er moeilijk mee en verwijst naar de tegenstrijdigheid met de Franse stijl van de illustraties. Douglas Jerrold’s Shilling magazine vindt het “a trifle too national” en suggereert dat het voor onschuldige genoegens als leesplezier wijzer zou zijn om zich aan te sluiten bij het grote buurland, aangezien het weinig waarschijnlijk lijkt dat de Vlamingen hun individualiteit als natie of als ras zullen behouden. In de Amerikaanse editie wordt het negatieve “frenchified” systematisch aangepast naar “fashionable”.

Samengevat kunnen we stellen dat er twee factoren zijn die de ontvangst van de Vlaamse letterkunde en Conscience in het bijzonder beïnvloeden (Vergelijk Simons 1997 en Wellens 1982). Enerzijds is er een interesse voor de geschiedenis en emancipatie van één van die kleinere Europese culturen. Anderzijds is er een aanknopingspunt met een nieuw lezerspubliek op zoek naar vervoering en opvoeding. In beide gevallen zijn de esthetische verwachtingen ondergeschikt. De receptie en de interpretatie van de Vlaamse letteren worden bepaald door het nationale stereotype beeld met als voornaamste kenmerken een volksverbonden realisme en een technisch vaardige uitvoering van bestaande literaire modellen. Delepierres artikelenreeks in The Athenaeum situeert zich anderhalf jaar na het verschijnen van Trübners uitgave. Inspelend op het relatieve succes van de Consciencevertaling is het zijn intentie de Vlaamse letterkunde op een meer systematische manier aan het Engelse publiek voor te stellen. Op welke manier pakt hij dit aan?

Delepierres artikelenreeks in “The Athenaeum” nader bekeken

Hoewel hij naar de vorm het Engelse vertelstandpunt inneemt, volgt hij niet het spoor van de Engelse recensenten. We vinden er dan ook geen vergelijking met Dickens of Walter Scott in terug, maar wel een betoog over de eigenheid van een specifieke en originele Vlaams-Belgische literatuur als gesloten systeem los van vreemde invloeden. Voor Delepierre is de letterkunde geen autonome activiteit, maar een manifestatie van de “native powers”, elders omschreven als “the genius of the people”, “the Belgic mind” of “the innate intellectual resources of the people”. De begrippen Vlaams en Belgisch worden hierbij zonder groot onderscheid door elkaar gebruikt, omdat voor Delepierre de Vlaamse cultuur de basis vormt voor de Belgische. De specifieke biografische gegevens die Conscience over zichzelf en De Laet meedeelt, worden in dit collectieve referentiekader ingepast en desnoods aangepast. De manier waarop hij de nationale identiteit verwoordt, grijpt terug naar Herders concept van de volksgeest, zoals het ook door Willems gehanteerd werd: een set van kenmerken die een groep mensen verbindt tot een originele culturele gemeenschap, tevens een scheppende oerkracht die zich organisch ontwikkelt in de loop van de geschiedenis: “These [publications] bear the stamp of mind and genius in every lineament. They are imprinted with the energy, simplicity, and power of the Flemish character. Not light and evanescent in nature – not got up for a present purpose or written under the impression of a momentary impulse – they take on the contrary a firm hold of the mind…”

Net als in Trübners voorwoord vormen authenticiteit en soberheid de basis voor een sterke affiniteit met de Engelse letterkunde, al benadrukt hij meer de rationele, intellectuele kwaliteiten over de sentimentele. Ook het kenmerk vitaliteit of kracht komt opvallend veel terug. De territoriale beperktheid wordt ruimschoots gecompenseerd door de grote creativiteit en werkkracht. Het is dan ook geen verrassing dat er in de Vlaamse provincies 3 keer zoveel literaire publicaties verschijnen als in een gelijkaardig grondgebied in Frankrijk of Engeland. De Vlaamse letterkunde is dan ook uitgegroeid tot een volwaardige letterkunde waarin alle genres vertegenwoordigd zijn. De typische nationale kenmerken, waarrond Delepierre zijn betoog opbouwt, vallen dus samen met het stereotype beeld van de Belgen dat we hierboven beschreven hebben. Maar in plaats van ze te weerleggen, tracht hij ze te activeren in een positieve context en te linken aan het zelfbeeld van de Engelsen.

Dezelfde werkkracht vinden we terug in de beschrijving van Conscience, “a man of fertile genius and indefatigable industry”. De biografische gegevens zijn gebaseerd op wat Conscience hem door­stuurde. Uit de vergelijking van brief en artikel blijkt duidelijk hoe Delepierre het levensverhaal en het oeuvre van Hendrik Conscience verbindt met het nationale verhaal. De bespreking concentreert zich bijgevolg rond nationale psychologische kenmerken als eenvoud, gevoel en eerlijkheid. Vooreerst een eenvoudige vloeiende verhaallijn. Toch zijn er voldoende levendige beschrijvingen en spannende scènes zoals bij de Gulden­sporenslag. Originaliteit, gevoel en verbeelding zijn beperkt aanwezig, maar niet teveel, want dat zou hem in het vaarwater brengen van de Franse literatuur. Hoewel Conscience Delepierre in 1838 toevertrouwd had dat het niet zozeer op de historische accuraatheid aankwam, maar wel op de mogelijkheid ervan, wordt hij ten slotte beschreven als onvermoeibaar in zijn opzoekingen en bekend om zijn objectiviteit en liefde voor de waarheid. Ook zijn zijn taalgebruik en stijl aangepast aan de diverse personages of tijdsomstandigheden die hij behandelt. Het zijn deze kwaliteiten die ervoor verantwoordelijk zijn dat Consciences talenten ook in het buitenland erkend werden, een extern waardeargument. Op dit punt overdrijft Delepierre ten opzichte van de doorgestuurde gegevens, door te stellen dat Consciences eerste werken quasi onmiddellijk in het Duits en het Frans vertaald werden.

Ook Johan Alfried De Laet beantwoordt aan “a peculiar type of character in the Flemish author”. Hij wordt met name naar voren geschoven als journalist van het eerste Nederlandstalige dagblad Vlaemsch België en als schrijver van De Vlaemsche Beweging, een antwoord op het reeds vermelde artikel van Paul Devaux in de Revue Nationale waarin De Laet de emancipatie van de Vlamingen kadert in een modern concept van de receptieve middenstaat. Op literair vlak worden niet zijn voor die periode opmerkelijke sonnetten of zijn historische verhalen, maar wel de novelle Het lot benadrukt, niet toevallig een zedenschets. Bovendien draait Delepierre het feit dat De Laet zijn eigen Franstalige novellen uit L’Emancipation naar het Nederlands vertaalde gewoonweg om: “Many of his Flemish stories were translated into French.”Het geeft meteen de beperkingen aan van zijn concept, waarin de individualiteit van de auteurs en de authenticiteit van de gegevens ondergeschikt worden aan het collectieve nationale verhaal. In zijn stuk over De Laet komt Delepierre even in ademnood. De Laet was zelf karig met biografische informatie geweest. Bovendien had hij niet dezelfde buitenlandse uitstraling als Conscience en was zijn werk niet in het Engels vertaald. Geïnspireerd door De Laets essay De Vlaemsche Beweging besteedt hij het grootste gedeelte van het artikel aan een overzicht van de nationale geschiedenis. Door de continuïteit met een gezamenlijk verleden te benadrukken, wordt de omwenteling ontdaan van haar revolutionaire, toevallige karakter. Ze wordt verbeeld als een noodzakelijke stap in de natuurlijke ontwikkeling van het volk. “Is it not in the nature of its previous manifestations then, that a nation which a few centuries since stood at the head of European learning should arouse itself from its compelled slumbers – and, fired by the recollection of its past fame, again seek to join the ranks of intellectual freedom and renown?”.

Conscience, De Laet en co zijn de erfgenamen van een rijke cultuur, van Van Maerlant of de Reinaert en de Oude Vlaemsche liederen uitgegeven door Willems, werken die stuk voor stuk dezelfde nationale waarden van eenvoud, directheid, kracht en gevoel vertolken: “a direct and forcible appeal to the most obvious and prominent principles and passions of human nature”. Onbegrip voor het volkskarakter vanwege Filips II en zijn opvolgers leidden tot verval totdat de natie intellectueel dood was. Het probleem van de kwaliteit dat de Engelsen beschouwden als een permanente eigenschap inherent aan de stereotype Belgen, beschrijft Delepierre als een (omkeerbare) fase in de historische ontwikkeling van het volk. Na de revolutie schiep het bestuur de voorwaarden voor de nationale heropleving: “The new legislative government has fully demonstrated that the genius of the people requires only favourable circumstances to develop itself with energy and credit.” In dit kader wordt Delepierres vriend Sylvain Van de Weyer vernoemd die het initiatief nam om De Laet en Conscience in 1845 aan te stellen als Professeurs Agrégés aan de Gentse Universiteit.

Ook de Vlaamse taal vormt een rode draad doorheen de geschiedenis van België. Zelfs na 600 jaar zijn de woordenschat en grammatica grotendeels ongewijzigd gebleven. Hetzelfde argument komt terug in Delepierres A sketch of the History of Flemish Literature (1860), waar hij een keure uit 1299 citeert die nog perfect leesbaar is voor de negentiende eeuwse Vlaming. Delepierre bevestigt bovendien het homogene karakter van de natie door het Vlaams voor te stellen als de (enige) grondeigen taal van het land. “The Belgian people feel daily more and more that, although the French language is equally with their own a literary instrument to them, it is the bounden duty of a nation that understands its own interests and honour to encourage writers who maintain and extend the primitive language of the country. This proves a strong and powerful bond of nationality.” Eenzelfde standpunt had Delepierre in 1837 en 1840 reeds ingenomen bij zijn recensie en vertaling van The origin of the Dutch language van J. Bosworth. (Spinoy 1998). Hoewel hij het Frans beschouwt als een vreemd element binnen de Belgische staat, laat hij tegelijk de deur open voor het Frans als cultuurtaal. Op die manier weet Delepierre de interne conflicten meestal in een zekere vaagheid weg te moffelen, maar dat lukt niet altijd. Opmerkelijk zijn dan ook de haast militaire termen waarin de schrijvers beschreven staan. Wordt Conscience vooral een slachtofferrol toebedeeld, dan luidt het bij Willems “He died, like a valiant warrior in the breach”. Ook De Laet moet herhaaldelijk in het harnas tegen de furieuze aanvallen van “foreign writers in Belgium”, al blijkt ook de Brugse Franstalige parlementair Paul Devaux onder deze categorie te vallen.

Het is duidelijk dat hoewel Delepierre naar de vorm het Britse vertelstandpunt inneemt, het gehanteerde referentiekader grotendeels samenvalt met dat van zijn Belgische collega’s. Zijn artikelenreeks volgt dan ook het programma dat hij reeds in zijn recensie van Bosworth had omschreven:

books delepierre3

Met andere woorden, Delepierre definieert zijn rol niet enkel als het representeren van een op zichzelf bestaande nationaliteit. Hij beschrijft hem als een culturele praktijk waardoor de natie als verbeelde gemeenschap geconstrueerd wordt. Dezelfde strategieën past hij toe om het bestaan van de Vlaamse letterkunde als exponent van de jonge Belgische natie voor de buitenlandse opinie te legitimeren. Hij creëert “un sentiment d’unité” door de specificiteit van het volk (meestal in oppositie tot de Franse cultuur) te omschrijven en door de continuïteit met het glorieuze nationale verleden en de cohesie binnen de Belgische staat te benadrukken (Tollebeek 1998). Net als Conscience of David stelt hij de Vlaamse taal en cultuur voor als de oorsprong en de verbindende factor voor de Belgische nationaliteit. Gezien de buitenlandse context legt hij wel andere klemtonen in zijn verhaal. Om het imago van de Belgische literatuur naar het buitenland te versterken, tracht hij meer de esthetische kwaliteiten van de schrijvers in de verf te zetten ten nadele van de didactische functie van de letterkunde. Ook de rol van de (katholieke) godsdienst als basis voor de nationale cohesie vinden we er begrijpelijkerwijs minder terug.

De impact van de artikelenreeks

Men kan niet omheen de grote betekenis die Delepierres artikelenreeks in een prestigieus tijdschrift als The Athenaeum voor de promotie van de Vlaamse letterkunde in het buitenland moet gehad hebben. Niet alleen bereikte hij hiermee rechtstreeks een Engels en internationaal lezerspubliek, maar het artikel vormde ook het uitgangspunt voor de receptie van Conscience in andere Europese landen en de Verenigde Staten. In augustus 1847 reeds verschijnt een afgeleide Conscience-biografie in Hogg’s Weekly Instructor te Edinburgh.  Met enige trots meldt Delepierre in The Athenaeum in 1849 dat zijn Conscience-biografie aan de basis lag van het artikel van de gezaghebbende Franse criticus Saint-René Taillandier in de Revue des Deux MondesDe la Renaissance flamande en Belgique. Le Romancier de la Flandre: Hendrik Conscience’ (1849)” op een ogenblik dat de eerste Franse vertaling – van Siska van Roosemael – later dat jaar nog moest verschijnen. Aan de overkant van de oceaan was The Athenaeum een belangrijke bron om kennis te nemen van de Europese letterkunde. In 1848-1849 publiceerde Evert Duyckink Delepierres bijdragen in zijn gezag hebbende blad The Literary World (zie VMKVA). Deze werden in 1850 door Margaret E. Foster overgenomen in haar A hand-book of modern European Literature. Ook Anne Charlotte Lynch Botta, die Conscience in 1849 in Amerika introduceerde, beperkt zich tot de door Delepierre besproken auteurs in haar Handbook of Universal Literature (1860). Dit werk kende een aantal herdrukken en werd in vele onderwijsinstellingen als handboek gebruikt. Ook in het Duitse taalgebied werd Delepierres artikel overgenomen. Opnieuw was Conscience zelf hiervoor verantwoordelijk. Zo stuurde hij de biografie door naar Carl Lorck voor opname in het pangermaanse weekblad Nordischer Telegraph, met de vraag om de tekst niet al te letterlijk over te nemen en zeker The Athenaeum te vermelden. Op 27 april 1849 verschijnt de biografie met bronvermelding in de Nordischer Telegraph. Auteur is de vertaler O.L.B. Wolff die de Duitse vertaling van Jacob Van Artvelde in Lorcks Niederländische Bibliothek laat voorafgaan door een langere versie. De levenschets wordt ook overgenomen in het Magazin für die Literatur des Auslandes (“Hendrik Conscience’s Jugendleben”, 05/01/1850) Nog in 1856 verschijnt in hetzelfde tijdschrift opnieuw een Conscience-biografie met  verwijzing naar The Athenaeum. De auteur is Rudolph Müldener, andere vertaler van dienst voor Lorck.

Conscience was er zich heel goed bewust van dat zijn buitenlandse reputatie verbonden was met de binnenlandse institutionalisering van de Vlaamse letterkunde in het algemeen en zijn figuur als nationaal schrijver in het bijzonder. In Vlaanderen ging het Conscience-artikel dan ook niet onopgemerkt voorbij. Door de groep rond Pieter Frans Van Kerckhoven werd hem verweten zijn reputatie te regisseren. Omdat hij daarbij de verkeerde esthetische en ideologische keuzes zou maken, vond men dat hij de collectieve identiteit, waaraan hij zijn schrijverschap verbonden had, op een verkeerde manier gestalte gaf. Ook Delepierres artikel werd in de polemiek betrokken. Op 29 juli 1847 schrijft Conscience hem dat zijn vijanden er een exemplaar van te pakken gekregen hebben en zich aan het werk gezet hebben om er een alternatieve versie van te maken. Kort daarop vertaalde Jules de Saint-Genois het Athenaeum-artikel naar het Nederlands voor De Eendragt. Zoals Conscience zelf reeds aangaf in zijn brief aan Delepierre kan het beschouwd worden als de voorloper van een reeks autobiografische werken als De geschiedenis myner jeugd, waarin Conscience het imago opbouwt van een onbeïnvloede, naïeve schrijver, die natuurgetrouw en vanuit het hart schreef. Net zoals in de artikelenreeks van Delepierre verdwijnen de individuele schrijver, het schrijfproces, de fictie in een gesloten verhaal van collectiviteit, authenticiteit en organische groei. Conscience en Delepierre vonden elkaar in een gezamenlijk beeld van de Vlaamse letteren: “simple as the soil from which they grew” (Conscience 1854).

Bibliografie, voor zover niet gelinkt

De brieven van Octave Delepierre aan Jules de Saint-Genois, heb ik geraadpleegd in de Universiteitsbibliotheek Gent  hs. G.18454 en zijn gedeeltelijk uitgegeven bij Jacob, A., Briefwisseling van, met en over Hendrik Conscience uit de jaren 1837 tot 1851. Gent, 1913-1914, deel 2. De briefwisseling Conscience-Delepierre bevindt zch in het AMVC-Letterenhuis, en werd geciteerd naar Degroote, G. “Onuitgegeven en weinig gekende brieven van Hendrik Conscience (1835-1883) II”, Handel.K. Zuid-Ned. Maatsch. Taal- Lett. Gesch21 (1967)

Demoor, M., “De Vlaamse literatuur op een blaadje gepresenteerd : Emiel de Laveleye en Paul Fredericq in ‘The Athenaeum’, 1871-1904”, Spiegel der Letteren 36 (1994), afl. 2-3, pag. 211-220.

Demoor, M., The fields of Flanders : alles, of bijna alles wat Engelse auteurs ooit schreven over Vlaanderen en België… en waarom, Roeselare, 2002.

Dyserinck, H., “De Frans schrijvende Vlaamse auteurs van 1880 in de spiegel der Franse en Duitse literaire kritiek”, Spiegel der letteren,6 (1964), p.9-30.

Marchand, L. The Athenaeum : a mirror of Victorian culture, New York, 1971.

Tollebeek, J., “Historical representation and the nation-state in romantic Belgium (1830-1850)”, Journal of the history of ideas, 59 (1998) 2, p.329-353.

Verschaffel, T.,  “Een jury heeft geen reden van bestaan: Franse critici over Belgische kunst, 1831-1865”, De negentiende Eeuw, 30 (2006) 1, p.19-34.

Wellens, O., “De kritische receptie van Conscience in Engeland” Handel. K. Zuid-Ned. Maatsch. Taal- Lett.kd. Geschied. 36 (1982), pag. 259-271.

Oorspronkelijk verschenen in Handelingen van het Genootschap voor Geschiedenis te Brugge 143 (2006), 3-4, aangevuld.

4 reacties op ‘Octave Delepierre promotor van Conscience en de Vlaamse letterkunde in Engeland (1847)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.