“Letterbroeders zedenvoeders”: De opkomst van Kunstliefde, Brugse toneel- en letterkundige vereniging (1841-1887)

Markies de Rumigny, attaché van de Franse ambassadeur, beschrijft de stad Brugge in een rapport van 1842 als “une sorte de ville fantôme”, een levenloos “Pompeï gothique”[1]. Groot is zijn verbazing als hij er kennis maakt met een laaiende toneelvoorstelling bij de maatschappij Kunstliefde. Uit de beschrijving blijkt behalve een groot genootschappelijk enthousiasme ook een sterke Vlaamse en bovenlokale politieke interesse, die ook wij in eerste instantie met steden als Antwerpen, Brussel of Gent, maar niet met het ingedommelde Brugge associëren. Het is een feit dat na het boeiende artikel van Karel De Clerck over het letterkundig te leven te Brugge in de Hollandse tijd[2] en enkele detailstudies de ontwikkeling van de toneel- en letterkundige verenigingen te Brugge na 1830 grotendeels een verborgen geschiedenis gebleven is. Nochtans leidde een gevoelige uitbreiding van een publiek afkomstig uit bredere lagen van de bevolking tot een bloeiend Vlaams letterkundig leven te Brugge in de eerste decennia na de Omwenteling. De vereniging Kunstliefde had hier een belangrijk aandeel in. Lees verder