In 1854 stuurden S.J. van den Bergh, A.C. Kruseman en D. Ouwersloot een rondvraag naar de Nederlandse en Vlaamse dichters met het oog op de samenstelling van de bloemlezing “Onze Muze”. Het antwoord van J.A. De Laet (19/07/1854) bleef bewaard in het Literatuurmuseum (Den Haag) en bevat nieuwe gegevens over deze auteur wiens biografie nog steeds hiaten vertoont. Het is ook boeiend om te zien hoe hij zich aan een Nederlands publiek presenteert.

De circulaire

Oorspronkelijk was het de bedoeling om een historische bloemlezing samen  te stellen onder de titel ‘De Dichters van Nederland’. Die zou de belangrijkste historische en hedendaagse dichters brengen aan de hand van een portret, een levensbeschrijving, een bibliografie en een representatief gedicht. Verder nam men het volledige taalgebied als uitgangspunt. Op die wijze beloofde het werk tegelijk een “Geschiedenis der Hollandsche Dichtkunst te worden.” Het idee was op zich niet nieuw, maar de samenstellers waren wel erg ambitieus. Het moest een soort literair pantheon worden. Om gegevens te verzamelen, schreven ze de auteurs aan in maart 1854, en nog eens in juni 1854. Op 19 juli antwoordde de Vlaamse auteur Johan Alfried De Laet. Zijn brief was gericht aan Arie Cornelis Kruseman en volgde de structuur van de vragen uit de omzendbrief:

Schaerbeek (by Brussel) den 19de July 1854.

WelEdele Heeren,

Ik heb, nagenoeg gelyktydig, in den beginne dezer maand, Uw eerste schrijven van Maert en den brief van Juny jl. ontvangen. Het is mij dus niet toe te wijten indien mijn antwoord op Uw vereerend verzoek, U wat laat wordt ter hand gesteld. Dat antwoord, koomt het wat spade, zal dan toch de verdienste hebben, kort te zijn; want, mag ik ook als medestrijder in de vlaamsche zaak, het mijne hebben bijgedragen tot de opwekking der nederduitschen geests in België en heropbeuring onzer letteren, ik heb langs eenen anderen kant weinig laten drukken dat mij, als nederduitsch schryver, aanspraak kan geven op eene plaats in de rij der verdienstelike mannen, wier verheerliking bij UEd. beoogd wordt.

Op N°1. Er bestaat van mij geen gedrukt portret. Werd er een portret vereischt uit hoofde van regelmatigheid Uwer uitgave, dan zou ik U eene teekening kunnen opzenden. Soo niet, bleef ik het liefst daarvan verschoond.

Op N°2. Geboren te Antwerpen, den 13den van wintermaand 1815. Vader: Joannes Jacobus. Moeder Joanna Maria Herwegh, beide van ouden Antwerpschen oorsprong. – Eenig kind. – Studiën: Kostschool te Hemixem, by Antwerpen. Antwerpsch Athenaeum. Leuvensche Hoogeschool . (Medecijnen). Van 1833 tot 1837 in militaire gezondheidsdienst. Gehuwd in 1840 met Joanna- Maria-Francisca Goens. Vijf kinderen. – In 1836, heb ik de vlaamsche beweging begonnen, te Antwerpen, met de H.H. Hendrik Conscience, Theodoor van Ryswyck en Michiel Van der Voort. Van toen af dagteekenen myne verspreide gedichten, novellen, vlugschriften en dagbladartikels.

Op N°3. – 1840. Gesticht, te Antwerpen, het tijdschrift de Noordstar, met de H.H. H. Conscience, de boezemvriend mijner kinder- en jongelingsjaren, Niklaas de Cuyper, M. Van der Voort en P.F. van Kerckhoven.

1842. Uitgegeven Het Huis van Wesembeke een roman uit het spaansche tijdvak. Antwerpen. J. Rysheuvels. Klein in 8° blz. 320, met eene titelplaet van E. de Block.

1844. Gesticht, te Brussel, het eerste vlaamsch dagblad: Vlaemsch België. Tot dan toe had België enkel nieuwsbladen die ten hoogste driemaal ter weke verschenen.

1845 Gesticht, te Antwerpen, het Taelverbond, een maandschrift, met de H.H. J. van Beers, Jakob Heremans, H. Peeters, H. Conscience, J.C. Verspreeuwen en Th. Van Ryswyck.

Op ’t einde van 1847 (met het jaart. 1848) uitgegeven, te Antwerpen: Gedichten. Kl. In 8° 132 blz. – Janssens.

Van 1836 tot heden verscheidene verhalen en novellen in tijdschriften verspreid en waaronder de bijzonderste, als daar zyn de Vloek, de Pijp, de Bruiloft van den Geus, Herman de Leidekker, van Droomenveldt, Het Lot, de Kruisvaarder, eene berijmde novelle, enz. wellicht nog vóór den aanstaanden winter in een drietal deeltjes, te Antwerpen worden uitgegeven.

In het vak der kunstgeschiedenis, vond in 1850, myn beredeneerd Catalogue du Musée d’Anvers, uitgegeven door het Museum zelf, eenigen byval. De herstelling van ettelike honderd data, naar opgaven van authentieke stukken, kostte mij een paar jaren arbeids.

Myne fransche schriften hebben mogelik mee iets bijgedragen tot het bevorderen der vlaamsche beweging. In 1843, schreef ik, met wijlen der H. Ernest Buschmann de Revue d’Anvers. Van 1848 tot 1853 werd ik bestierder van ’t Journal d’Anvers, en in 1853 werd ik bestierder van het brusschels dagblad l’Emancipation, doch nam bij ’t einde des jaars mijn afscheid. – Bij de leste kiezingen voor de kamer der volksvertegenwoordigers, verwierf ik te Brussel ietwat over de 2000 stemmen, waarvan er 1873 werden geldig verklaard. – Lid van verscheidene letterkundige genootschappen, werd ik in 1845, toen de Hr S. Van de Weyer, als minister van binnenlandsche zaken, den Vlamingen opentlik een bewijs van toeneiging wilde geven, te gelijker met de H.H. Karel Ledeganck en Conscience, benoemd tot toegevoegd hoogleraar by de gentsche Universiteit, faculteit der letteren. Geen van ons drieën had om deze gunst gedongen.

Ziedaar, WelEdele Heeren, wat ik U zakeliks te berichten heb, en wellicht is het meer dan wel betaamt bij zoo geringe verdiensten als de myne.

Op N° 4 en 5. Het staat U vrij, de aangeduide stukjes over te nemen, en ik bedank U voor de welgedane keuze. Nogthans indien het U beliefde, een woordje te reppen over de strekking tot het invoeren van het enkel metrische vers, welke bij ons vrij algemeen wordt, dan zou ik Uw aandacht durven inroepen op het volgende stukje, dat, met eene drukfeil in het tweede vers, voorkoomt in myn bundel op blz. 37.

Het beeld des Tyds

’t Vliegende beeld van den Tyd,
Dat, met de zeisse gewapend,
Rustloos de wereld doorrent,
Lacht, bij der snelheid der vlucht,
Den ongelukkige toe.
Vliegende beeldtnis, gy liegt!
Daer waer ge ’t onheil ontmoet
Sukkelt ge kruipende voort.
Blind was de vader der goden!
Had U Homerus gezien,
Stokoude Kronos, hy had
U tot geen vogel, gewis,
Maer tot een’ schildpad gemaekt.

Aanvaardt, WelEdele Heeren, met myne herhaalde dankzegging voor Uwe vriendelike aanvraag, de verzekering myner hoogachting.

UEd’s dienaar

J. Delaet

(Bron: Literatuurmuseum, Signatuur: L 00125 B 1)

Wat leren we uit deze brief?

Het was reeds bekend dat De Laet school liep aan het Antwerpse atheneum, om daarna een opleiding als geneesheer aan te vatten aan het krijgsgasthuis te Antwerpen en de Leuvense hogeschool. Uit de nieuwe brief vernemen we dat hij voordien een basisopleiding kreeg aan een kostschool in Hemiksem. Ongetwijfeld gaat het over het Franstalige pensionaat van de familie Mannekens, dat een uitstekende reputatie genoot. Het werd later overgenomen door de zoon L. Mannekens-Noël. In 1843 publiceerde die een Nouvelle grammaire française théorique et pratique bij De Laets uitgever Rysheuvels. Het werk werd gunstig besproken in de Revue d’Anvers en in Vlaemsch-België, waaraan De Laet meewerkte. Beide deden ook verslag van prijsuitreikingen in de kostschool. De Mannekens-connectie is belangrijk voor Vlaemsch-België. De broer, J. Mannekens-van Lidth, was immers een van de drijvende krachten achter het eerste Vlaamse dagblad. Zowel Mannekens-Noël als Mannekens-Van Lidth waren op aanwezig op het Taelcongres te Gent (1841).

Even interessant is de toewijzing van het merkwaardige ”de Pijp” aan De Laet [zie Onttoovering 22/06/2015] Het stuk verscheen in 1840 onder een pseudoniem in De Noordstar. Het is een ironische theatrale monoloog die vooruitloopt op een aantal passages in Het Huis van Wesenbeke (1840-1842) en de dorpsvertelling Het Lot (1846). Deze brief is bovendien de enige plaats waar De Laet zich het auteurschap toe-eigent. Misschien wou hij hiermee zijn beperkte bibliografie wat kracht bijzetten of dacht hij dat het stuk de Nederlanders zou interesseren, waar dat soort typetjes toch meer ingang gevonden hadden. Blijkbaar was De Laet in 1854 van plan om een verzamelbundel uit te geven met kortverhalen. Dit zou uiteindelijk niet doorgaan, maar het geeft wel aan dat zijn afscheid van de letterkunde in 1848 minder radicaal was dan wordt aangenomen.

Ten slotte krijgen we ook nieuwe gegevens over de samenwerking met Joseph Ernest Buschmann die pas overleden was. Nadat De Laet in 1841 reeds tijdelijk de redactie van de Antwerpse Journal de Commerce van Buschmann overnam, was hij in 1842-1843 ook betrokken bij Buschmanns liberale opinieblad La Revue d’Anvers. De medewerking gebeurde anoniem.(Ik ga hier dieper op in bij het volgend bericht dat De Laets relatie met Joseph Ernest Buschmann en Felix Bogaerts behandelt.)

Onze Muze

Het plan van Van den Bergh en Kruseman botste op veel weerstand, waardoor ze het concept moesten bijsturen. Uiteindelijk verscheen de bloemlezing in 1855 onder de titel “Onze Muze, album van gemengde zangen onzer vaderlandsche dichters der 19e eeuw”.  Zoals de ondertitel al aangeeft, ging het enkel nog om hedendaagse dichters, alfabetisch opgelijst, telkens vertegenwoordigd met één gedicht. Het album zou het beste van de recente jaarboekjes brengen. Het initiatief was voldoende succesvol voor een tweede vermeerderde druk in 1868.

Het tweede volume bevat “Aen mijn zoontje” van De Laet, tussen “Levenswijsheid” van B. Kuitert, Cz en “het graf myner moeder” van K.L. Ledeganck. De Laets gedicht kwam ook al voor in Vlaemsche Poezij van Goeverneur en Hecker (1852), waar we “Het beeld des Tyds” wel terugvinden, samen met “Een traen”, “Visscherslied” en het sonnet “Aen Rubens”. Ongetwijfeld zal de lengte van de gedichten een rol gespeeld hebben bij de samenstelling. Daarom suggereerde de auteur zelf “Het beeld des Tyds”. Het was niet alleen kort, maar gaf ook aan dat hij – net als Dautzenberg – met het metrisch vers een nieuwe richting ingeslagen was. De samenstellers kozen voor een gedicht dat paste in de eerder conservatieve sfeer van “huiselijkheid en vroomheid” van het album. De bewoording  is van Potgieter die hiermee zijn teleurstelling uitdrukte in deze eendimensionale benadering van de dichtkunst. Hij zelf had behalve die “zoete zijde van het leven” graag ook meer van het zure gezien, poëzie die de dialoog aanging met de wetenschappelijke en maatschappelijk ontwikkelingen in de publieke sfeer.

Een reactie op “Bij een brief uit 1854 – Nieuwe biografische gegevens over Johan Alfried De Laet

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.