De Laet, die de gebeurtenissen van 1830 van dichtbij meemaakte als tiener, kan men bezwaarlijk van orangisme verdenken. Toch zag ook hij al vroeg het nut in van een samenwerking met het Noorden. In de Koninklijke Bibliotheek Den Haag trof ik twee brieven aan uit 1841, gericht aan Johannes  Immerzeel Junior.  Om zijn roman Het Huis van Wesenbeke in Nederland aan de man te brengen, zocht hij een alternatief voor Willem Messchert, op dat ogenblik het enige toegangskanaal tot het noorden. De brieven zijn interessant omdat ze zeer concrete gegevens bevatten over de vroege verspreidingsmogelijkheden van Vlaamse werken in Nederland. Het advies van Immerzeel bracht hem uiteindelijk bij de Amsterdamse boekhandelaar Gerrit Theodoor Bom, die niet alleen het werk van De Laet, maar ook dat van een aantal Antwerpse collega’s zou verspreiden en uitgeven. Voor Conscience en zijn uitgever Buschmann was het een eerste structureel contact met de Nederlandse boekenmarkt.

Ze vormen dan ook een mooie aanvulling op de studies die de Vlaams-Nederlandse  betrekkingen op het vlak van boekhandels reeds behandelden. Behalve het overzichtswerk van Ter Haar zijn er een paar die onmiddellijk verband houden met de context van de brieven. Ada Deprez ging reeds dieper in op de nadruk van Nederlandse werken in België. De Vroede en Simons behandelden de thematiek op de Nederlandse congressen (vanaf 1849). Ook Dongelmans, zich baserend op de berichtgeving in het Nieuwsblad voor den Boekhandel, begon zijn overzicht iets later (1845). Gubin (1982) en Willem Van den Berg en Piet Couttenier (2008), ten slotte, gingen dieper in op de materiële achtergrond van deze samenwerking. De laatsten stipten vrij recent nog het fenomeen aan van de co-edities.

Antwerpen 16 v. Sprokkelmaend 1841

Mynheer, Ofschoon mogelyk by UEd, zelfs niet by name, bekend, neme ik de vryheid my tot u te wenden om van UEd eenige inlichtingen over den boekhandel in Noord-Nederland, en wel bezonder in de stad UEds verblyf, te erlangen. Als medelid van den Olyftak en met UEds hoogstverdienstelyke zoon eenigzins bekend, durf ik hopen, Mynheer, dat UEd my de genomene vryheid niet kwalyk zal afnemen. Ik geloof, – en ik weet dat UEd ook in dit gevoelen deelt, – dat het noord- en zuiderlyke gedeelte van Nederland, alhoewel door de staetkunde gescheiden, altoos één maet blyven onder de betrekking der letteren en kunsten. In België is men het hierover volkomen eens, en het is te hopen dat de verlichte Hollanders, hierin UEds voorbeeld volgende, ook weldra even als wy zullen denken. Doch, Mynheer, om die eenheid in al hare volheid te bereiken ware het noodzakelyk dat de Hollanders by ons en wy by hen, een gemakkelyk debiet voor boekwerken vinden konden. Dit echter is schier onmooglyk op den voet op welken heden de zaken van de boekhandel gesteld zyn. Het is UEd niet onbekend dat wy hier te lande, om met de beruchte contrefaçon te kunnen worstelen, onze werken schier aen den prys van papier en van arbeid verkoopen moeten: een frank B.V. voor 100 bladz. druks in 8o. Boven dien prys vindt men weinig vertier. – Myn vriend Conscience, om in Holland gelezen te worden, heeft daerenboven 40% en het 13e exemplaer op 12 moeten betalen aen den heer Messchert te Rotterdam, en verpligt geweest de kosten van vervoer op zich te nemen. Voor het tydschrift de Noordstar heeft een ander myner kunstvrienden, de hr Van Kerckhoven, geene betere voorwaerden kunnen verkrygen. – Nu dit alles te samen beloopt byna op 60%, en de prys blyft dan slechts een centiem voor 3 bladz. in 8o. Gy ziet, Mynheer, dat wy op zulke onmooglyke voorwaerden er moeten van afzien in Holland bekend te worden, en dat op zulke wyze België nog lang ten onregte by onze noorderlyke broeders als een fransche wingewest kan doorgaen. Myne vraeg is dan, Mynheer, of Ued, die zoo lang op grooten voet in den boekhandel verkeerd heeft, geen middel zou weten om in de groote steden van Holland boekhandelaren aentetreffen die de vlaemsche werken in commissie zouden willen nemen en voor inteekenaers op dezelven zorgen tegen 20% en 12/13 ex. met de kosten van vervoer op rekening van den belgischen uitgever, of tegen 25% 12/13 ex. met gezegde kosten op hen. – Ware dit mogelyk, dan was er een middel om, met eene ligte verhooging in prys, de vlaemsche werken ook in Noord-Nederland te plaetsen. Dit zeker zou voor eersten en gelukkigsten uitslag hebben dat, met elkander beter te leeren kennen, de laetste zweem van vooroordeel, welke er nog tusschen beide gew. bestaen kon, spoedig zou verdwynen. Indien Ued, Mynheer, my met een gunstig antwoord vereert, zal ik my spoeden UEd. een aental prospectussen van een historischen roman welken ik binnen kort sta uittegeven, te doen geworden. Aenvaerd in afwachting de verzekering der bezondere hoogachting met welke ik de eer heb my te noemen, Mynheer, Dienstwilligsten dienaer Johanalfde Laet

Sympathie of noodzaak?

Anders dan de generatie van Willems had De Laet geen rechtstreekse banden met Nederland. Integendeel, amper veertien in 1830 had hij de omwenteling van dichtbij meegemaakt. Hij was een kind van de revolutie. Net als Conscience was hij generaal Niellon gevolgd onder de wapens. Het bombardement, de belegering van de stad en de sluiting van de Schelde hadden een fel anti-Hollandse stemming te Antwerpen voor gevolg. Een decennium later lag de herinnering nog vers in het geheugen. Wanneer Conscience en De Laet in februari 1839 publiekelijk protesteerden tegen de voorwaarden van het vredesverdrag heette het o.a. “zoo menige moeder geeft nog bywylen eene droeve traen aen de nagedachtenis van eenen jongen held wiens plaets in het huisgezin nu ydel is, – de velden van Berchem zyn nog rood van edel bloed, ja het gebeente der genen die ons verlosten is nog niet vergaen” [Aenspraek tot het Vlaemsche volk]. In zijn Conscienceherinneringen (1883) voor de Revue Générale blikt De Laet terug op deze periode. Hij wijt het verzet voornamelijk aan de Nederlandse centralisatiepolitiek. Die zou niet gepast hebben bij de vrijere Belgische traditie die terugging op de gemeentelijke vrijheden. Daarnaast speelden levensbeschouwelijke verschillen en een vooroordeel tegen de Hollandse taal. Bovendien botste het Hollandse standenverschil met de grotere volksgelijkheid en de sterkere middenklasse van de Belgen. Al dan niet terecht, in de argumentatie voel je heel sterk de drang om het onderscheid te maken, zich te legitimeren binnen een eigen Belgische cultuur en staat. In 1844 moest Snellaert hem aanmanen wat meer aandacht voor Nederland te hebben in zijn dagblad Vlaemsch België, wilde hij daar ook abonnementen verkopen. Nog in 1870 schreef De Laet dat Vlaanderen meer gegeven had aan Nederland dan ze gekregen had. Ook op literair vlak is er een grote afstand. In tegenstelling tot de vele verwijzingen naar Franse en Duitse schrijvers, zijn de Noord-Nederlandse referenties in zijn oeuvre op één hand te tellen. Typisch is de appreciatie van de figuur van Bilderdijk. Waar die als “vloeiende” profetische schrijver in Nederland ook in literair-progressieve kringen functioneerde als een ijkpunt, was hij in Vlaanderen de inzet van een generatieconflict. Antwerpse romantici als De Laet zagen in hem vooral de classicistische afgod van een groep schrijvers, waartegen ze zich afzetten.

De erkenning van de XXIV artikelen in 1839 schepte in elk geval duidelijkheid. Ze maakte de baan vrij voor een Vlaamse actie zonder de verdenking van orangisme. De culturele verwantschap met het noorden werd een argument ter legitimering van de Vlaamse emancipatie binnen de Belgische staat. Zo legde De Laet in zijn Antwoord aan de Revue Nationale (1845) nadrukkelijk het gezamenlijke verleden in de weegschaal bij een polemiek met de Franstalige liberaal Paul Devaux. De gouden eeuw van het noorden beschouwde hij als “woeker van onzen eigen inleg”. Bovendien werd “de schoonste bladzij uit Hollandse heerlijke letteren geschreven door de Vlaamse hand van Vondel”. Telkens toch een zekere ambivalentie. De paradoxale mengeling van nationale eigenheid en internationale culturele verwantschap paste voor hem in het concept van de middenstaat België, een smeltkroes, die het beste van de Germaanse en Romaanse cultuur met elkaar verbond.

In dezelfde universele geest zocht de Antwerpse rederijkerskamer De Olyftak reeds in 1840 contact met het buitenland om de Rubensfeesten extra luister bij te zetten. Petronella Moens en Johannes Immerzeel jr. waren laureaat in de literaire wedstrijd. Immerzeel zelf kon niet aanwezig zijn op de prijsuitreiking. Zijn zoon nam de honneurs waar. Op het kunstenaarsbanket bracht hij het dichtstuk Oud Nederland een en onverdeelbaar in kunsten en letteren, waarin hij de culturele verbroedering van de lage landen verwoordde: “Geen onderscheid van vorstenstaf rukt d‘eens in doel vereende vrienden, geen broeder van zijn broeder af.” [Kunst-en Letterblad 1840]

Behalve het beroep op de culturele verwantschap spreekt uit De Laets brief vooral een financiële bekommernis om een voldoende grote afzetmarkt te vinden voor zijn roman. De bloeiende nadruk had immers desastreuze gevolgen voor de leefbaarheid van de eigen literaire productie. Een Franstalig topaanbod aan bodemprijzen. Een beperkt Nederlandstalig leespubliek waarbij heel specifieke verwachtingen en beperkingen speelden. Beperkte oplages, waardoor overheidssteun noodzakelijk was, maar nieuwe afhankelijkheden met zich meebracht. De situatie werd bevestigd in de Belgische kamer toen de minister van Binnenlandse zaken een verhoging van het budget voor literaire subsidies aanvroeg wegens de ongunstige situatie van de Belgische schrijvers: “Het stelsel van nadruk heeft ook op de inheemsche letterkunde nadeelig gewerkt. Een Belgisch schrijver vindt slechts zelden een uitgever; meestal moet hij zijne werken voor eigene rekening laten drukken, waarbij hij doorgaans belangrijke verliezen ondergaat. Bij deze gesteldheid van zaken zwijgt menigeen die nuttige waarheden zoude kunnen mededeelen waardoor het noodzakelijk wordt dat de Regering tussen beiden kome.” [geciteerd naar het Jaarboekje voor den boekhandel 1841]. Voor het soort literatuur dat hij wou maken, kwam De Laet er met Vlaanderen alleen niet. Deze commerciële reflex onderscheidt zijn initiatief van dat van zijn voorgangers. Het typeert zijn streven naar professionalisering van het Vlaamse schrijversvak. Aan Snellaert schrijft hij, bijvoorbeeld, “Het is noodig dat de vlaemsche schryvers, zoo wel als de duitsche en fransche eenen redelyken prys voor hunnen arbeid ontvangen, anders zullen we nooit iets beters dan eene Littérature d’amateurs hebben” (23/07/39). Nederland was hiervoor een noodzaak.

Intermezzo met cijfers I

Het loont de moeite om de door De Laet verstrekte gegevens naast de boeiende berekeningen te leggen uit August Keersmaekers’ Consciencestudie De Muze en de mammon. Een productieprijs van 1 frank per 100 bladzijden lijkt te kloppen met de daar geraamde kostprijs van de Leeuw van Vlaenderen: 3000 fr voor een oplage van 500 exemplaren x ca 600 blz. Omgerekend betekent dit een kost van 6 fr. per item (3 volumes), mits de volledige oplage verkocht kan worden en mits geen honorarium voor de auteur in rekening gebracht wordt. De Leeuw werd verkocht aan een prijs van 8 frank bij intekening. Uitgaande van een boekhandelspercentage van 20%, leverde dat een netto-ontvangst op van 6,4 frank. Dit lijkt te stroken met de stelling van De Laet dat de auteurs vanwege de concurrentie van de contrefaçon verplicht waren om hun werk aan productieprijs te verkopen. Veiligheidshalve nemen we aan dat 1 illustratie per volume van 200 blz. inbegrepen is. We houden ook geen rekening met andere oplages of prijsverschillen tussen individuele drukkers. Ter vergelijking: Door concurrentie, massaoplages en goedkope uitvoering daalde de prijs van de nadrukken in de jaren 1830-1840 van 1,5 fr. tot minder dan 0,5 frank per volume.

Ook voor zijn eigen Het Huis van Wesenbeke gaat deze redenering op. In het prospectus waren 250 bladzijden voorzien aan een intekenprijs van 2,5 fr. (3 fr. na verschijnen). Wanneer het werk uiteindelijk 320 bladzijden bevat, blijft deze prijs gehandhaafd, zelfs al ligt dit onder de productiekost. Het Huis van Wesenbeke werd gedrukt in een oplage van 500 exemplaren, omgerekend een risico van 1600 fr. voor rekening van de auteur (ter vergelijking: Sleeckx verdient op dat ogenblik 600 fr. per jaar als onderwijzer.) Hoewel De Laet er zelf prat op ging dat de volledige oplage binnen het jaar aan de man gebracht was, gaan de meeste bronnen ervan uit dat hij er een flinke kater aan over hield. Het ministerie tekende niet in. Lodewijk Torfs zal later spotten dat een groot deel van de oplage als pakpapier gebruikt werd. Het verklaart waarom De Laet zo gretig naar het Noorden kijkt voor afzet van zijn stock.

Willem Messchert en Vlaanderen

wwwopac-messchertVoordien fungeerde Jan Frans Willems met zijn persoonlijke contacten als draaischijf voor het grensverkeer met Nederland. Verliep die uitwisseling in de jaren 1820 voornamelijk via Immerzeel, dan zou Willem Messchert, aangemoedigd door Willems, deze rol overnemen in de tweede helft van de jaren 1830. We kunnen dit volgen via de briefwisseling Willems en de advertenties van Messchert. Een vluchtige blik op de Rotterdamse Courant, de Algemene Konst- en Letterbode en het Nieuwsblad voor den Boekhandel brengt het aantal titels al gauw op boven de 30, meer dan incidenteel dus. Messchert formuleerde zijn bedoelingen in een brief aan Willems: ”Daar is een band tusschen onze gewesten: en deze te bevestigen ligt in de beoefening der letteren. Als vanzelf kan komen wat het Gouvernement heeft willen aanvangen, en daarom niet tot stand heeft kunnen brengen. Men heeft Noord-Nederland aan België als model willen opdringen; en nu moeten de Noord-Nederlanders gaan erkennen dat zij van de Belgen kunnen leeren.”

De oudste referentie dateert van eind 1836. Daarin meldde Messchert dat hij 30 exemplaren van Willems’ Reynaert had verkocht voor rekening van de auteur en er diende bij te bestellen bij drukker Hebbelynck. In 1837 wierf hij voor het Belgisch Museum. Aanvankelijk ging het om 43 abonnees, later steeg dat aantal naar 70. Het ander werk van Willems was eveneens bij hem te krijgen, alsook de Lettres de Marguerite de Parme en Blommaerts Theophilus of zijn verhandeling over de Gentse rederijkers. Uiteraard ook Snellaerts Verhandeling over de Nederlandsche dichtkunst in België. Het aanbod omvatte veel voer voor filologen, tevens meer pedagogische of wetenschappelijke studies van Guislain, Matthyssens en Carton. Hij probeerde het ook met poëzie. Zo verdeelde hij het Jaerboekje van Rens. In 1839 trachtte hij telkens 12 à 13 exemplaren van de dichtbundels van Van Acker-Doolaeghe, Ledeganck, Blieck en Rens te slijten, maar dit vlotte niet goed. Poëzie is hier niet zeer in trok, meldde hij Willems begin en eind 1839. Het is zeer de vraag of de Belgische dichters de Nederlandse markt iets te bieden hebben, was hAdvertentie Leeuw van Vlaenderenet harde oordeel van De Gids in 1837. Al bijzonder vroeg toonde Messchert interesse voor het werk van Conscience. Eind 1836 reeds trachtte hij In ‘t Wonderjaer vast te krijgen, maar de contacten met drukker Schoesetters vlotten niet, zelfs niet na zijn bezoek aan Vlaanderen in juli 1837. Via Willems kreeg hij 8 exemplaren te pakken. In mei 1838 had hij rechtstreeks contact met Conscience. Hij zocht intekenaars voor de Leeuw in het Algemeen Handelsblad (8 augustus) en het Nieuwsblad voor den Boekhandel (8 en 15 november). Na het verschijnen nog eens in de Rotterdamsche Courant (19/03/1839). De impact, met name in de andere steden, mogen we niet overschatten. In juni 1839 vroeg Potgieter Willems om Consciences romans, omdat ze in Nederland zo moeilijk te vinden waren.

Intermezzo met cijfers II

De voorwaarden van Messchert zijn min of meer dezelfde als die hij voor Nederland hanteert. 40% korting + elk dertiende exemplaar gratis. Ook de transportkosten zijn voor de Vlaamse auteurs. Netto blijft er 40% over. In het geval van de Leeuw dus 3,2 fr. per exemplaar. Het is niet duidelijk of importtaxen inbegrepen zijn in de transportkosten of voor rekening van Messchert waren. In De Laets brief worden die niet expliciet vernoemd. Gelet op de lage publieksprijs in Vlaanderen, maakt de rekening in elk geval duidelijk dat de verspreiding in Nederland ver onder de kostprijs ging. Bijzonder pijnlijk voor Conscience was dat een klein derde (140) van zijn intekenaars uit Nederland kwam. Nemen we daar de presentexemplaren bij waar Conscience iets te gul mee omsprong, dan leverde de Leeuw hem – zelfs na subsidies – uiteindelijk slechts een winst op van 10 frank.

Helemaal merkwaardig wordt het wanneer we er de Nederlandse verkoopprijs van de Leeuw naast leggen. Die lag bij voorintekening op 5,5 gulden, omgerekend zo’n 11 frank, beduidend hoger dan de Belgische prijs. Afgaande op De Laets brief leverde dit prijsverschil de Vlaamse auteurs niets op. Wel dient er rekening gehouden te worden met promotiekosten voor advertenties in Nederlandse kranten. Een zekere marge was ook nodig om een korting te kunnen geven aan de boekhandelaars die na Messchert als tussenpersoon dienden.

Drempels

De briefwisseling geeft ons ook informatie over een aantal praktische problemen. Zo stelde Messchert dat Nederlanders niet intekenden op basis van uitgeversinformatie, voor zover die zelfs beschikbaar was. Ze moesten het boek zelf in handen krijgen. Daarom moest hij zichtexemplaren in commissie zien te krijgen om ze onder de aandacht te kunnen brengen. Dit was onmogelijk omdat op retourexemplaren importtaxen in beide richtingen te betalen waren. Behalve de extra kost van de invoerrechten, verliep ook de douanecontrole en het transport niet altijd even vlot. Muquardt (1844) vermeldt dat boekenpakketten soms maanden in douanemagazijnen bleven liggen in afwachting van opening en nazicht, of naar een verkeerd adres doorgestuurd werden. Een pakje van Willems met boeken voor Messchert en recensies voor De Gids, bij voorbeeld, ging verloren, nadat het in 1838 tegengehouden werd door de Nederlandse douane [De Vroede 1952]. Daarnaast speelden er principiële bezwaren. Terwijl de Belgisch-Nederlandse spanningen naar aanleiding van de XXIV artikelen hoog oplopen, schreef Messchert aan Willems: “Velen zijn hier dom anti-belgisch” (21/12/1838). De nadruk , ook op Vlaamse bodem, speelde een belangrijke rol voor de Nederlandse boekenwereld, maar lijkt ook een alibi om in een protectionistische reflex alle buitenlandse werken te weren. Een nadrukgeval op Duitse bodem leidde ertoe dat alle boekhandelaren verplicht werden een verklaring te ondertekenen dat ze geen Nederlandstalige werken zouden verkopen die buiten de grenzen gedrukt of uitgegeven waren. Ook de oorspronkelijk Vlaamse uitgaven vielen hieronder. De reacties waren verdeeld. Messchert voelde zich persoonlijk aangesproken en protesteerde. In een circulaire van 7 oktober 1838 zette hij zijn argumenten uiteen. Hij pleitte voor vrijhandel, zoals in het gouden verleden. Een open, concurrentiële houding tegenover het buitenland kon een middel zijn om de eigen markt te ontwikkelen. “Dat men haar niet door dwang, maar door goeden en goedkoopen letterarbeid tegenga.” Grotere oplages, goedkopere vormen, lagere prijzen. Waarom zou men in Nederland ook geen edities van klassieke werken kunnen uitgeven voor Europa? Bovendien geloofde hij dat er een wederkerigheid zou ontstaan, waardoor op Nederlandse bodem gedrukte werken een grotere afzetmarkt zouden krijgen. Op het einde van zijn pleidooi ging hij dieper in op de specifieke betrekkingen die hij met Vlaanderen onderhield:

 Ik kom er gaarne vooruit, dat ik bijzonder belang in het debiteeren van die boeken stel, juist omdat zij buiten ons Rijk, en wel in Belgien zijn uitgegeven. Ik zie in die boeken een verschijnsel dat mij verheugt. Zij bewijzen mij, dat, buiten en boven alle politieke verschillen, onze Vaderlandsche taal, die ook de taal is van een aanzienlijk gedeelte van Belgien, aldaar met ijver wordt voorgestaan en met grondige kennis beoefend. Daarvan geeft hun inhoud, meestal tot taal, letterkunde, en geschiedenis betrekkelijk, de duidelijkste blijken. Onze geleerden en letteroefenaars ontfangen ze met belangstelling, en worden er wellicht door opgewekt tot letterarbeid, die de Nederlandsche pers roem en voordeel kan aanbrengen; terwijl aan de andere zijde de Belgische schrijvers de voortbrengselen onzer letterkunde hoogschatten, en niet achter blijven met ze zich aan te schaffen.

Johannes Müller nam de handschoen op in een rondschrijven op 4 december 1838. Er is geen land ter wereld, waar meer letterkundige roof gepleegd werd dan België. Het Nederlandse boekbedrijf had maar een zeer beperkte marge en stond weerloos tegen de invoer van goedkope Nederlandstalige werken, die bovendien niet bijdroegen tot de eigen nijverheid. Verwijzend naar de grieven van 1830 en de penibele toestand van het Nederlands in België betwijfelde hij of “dat klassieke land van ondankbaarheid en trouwloosheid” de Nederlanders goede vruchten beloofde. De arme Messchert werd de levieten gelezen. Er kwam wel een werkgroep, die een jaar later een rapport uitbracht meer in de zin van Messchert [Kruseman 1886]

 Co-edities

books-messchertDe verscherpte sensibiliteit had voor gevolg dat Messchert in co-editie trad voor werken die hij uit Vlaanderen wou verdelen. In eerste instantie ging het opnieuw om auteurs die banden hadden met Willems: Blieck (Mengelpoezy 1839), De Jonghe (Chronijke van Despars, 1839-40), Blommaert (Zevecote, 1840), Van Duyse Vaderlandsche gedichten (1840), Ledeganck (De zinnelooze Tytgat, 1841) of Schayes (Dagboek der Gentsche collatie, 1842). Blieck paste zelfs zijn prijsvers De triomf der nationale onafhankelykheid aan met het oog op verspreiding in Nederland. [De Vroede 1948, 966 en 991] Ook met de Leuvenaar Nolet de Brauwere had Messchert goede contacten. Het ging om Ambiorix (1841), Dichtluimen (1842) en Het graf der twee gelieven (1842).Na het overlijden van Messchert nam Aewerdonck even over. Zo werd hij als co-uitgever vermeld met Van Linthout voor Een reisje in het noorde. Ook een zekere August Willemsen, voormalig boekhouder van Aewerdonck, trachtte zich – zonder succes – te positioneren. Ter Haar noteert dat de respons in de literaire tijdschriften in die periode betrekkelijk spaarzaam bleef. Een gelukkige uitzondering vormden de Vaderlandsche Letteroefeningen die in de vroege jaren veertig al wat Vlaams werk uit het fonds van Messchert bespraken, welwillend, maar met de nodige distantie. In 1840 werd Messchert er geprezen om zijn inspanningen om de Vlaamse filologie en letterkunde in het noorden bekend te maken. “Zulke werken zijn nuttig; van anderen aard behoeven wij ze uit België niet.”

Het contact met Gerrit Theodoor Bom

 Immerzeel

books-immerzeelNet als Messchert had Johannes Immerzeel jr. goede connecties met het zuiden. In overleg met Willems deed hij in de jaren 1820 grote inspanningen om er een afzetmarkt te vinden. Net voor de omwenteling gaf hij het echter op, gefrustreerd met de “kreeftengang”. Nadat hij de boekhandel in 1835 min of meer vaarwel gezegd had, probeerde hij samen met Withuys de belangstelling voor de Vlaamse letterkunde te stimuleren via bijdragen in het dagblad De Avondbode. [Korrevaert] Terwijl de andere kranten aanvankelijk nog eerder negatief stonden, besprak hij met veel respect het werk van Conscience, Van Ryswyck en anderen. In 1838, bijvoorbeeld, prees hij de eigenheid van de Vlaamse taal in Consciences Leeuw van Vlaenderen. De stijl en uitdrukkingen gaven het werk een eigen kleur, vond hij, “eene eigendommelykheid, die den lezer behaagt en boeit”. Eind 1839 bracht hij een goed gestoffeerd overzicht van de Vlaamse letterkunde in drie delen. Hij onderhield ook vele contacten met Vlaamse kunstenaars en wetenschappers voor zijn studie Levens en werken der Hollandsche en Vlaamsche kunstschilders. Reden genoeg om in 1840 deel te nemen aan de literaire wedstrijd ter gelegenheid van de Antwerpse Rubensherdenking. De Laet, die bij die gelegenheid kennis maakte met zijn zoon, nam de gelegenheid te baat om enkele maanden later Immerzeel zelf aan te schrijven (16 februari 1841). Een kleine twee weken later volgde het antwoord uit Nederland. Immerzeel adviseerde hem een exclusiviteitscontract af te sluiten met de Amsterdamse boekhandelaar-uitgever Gerrit Theodoor Bom (1814-1884), een generatiegenoot van De Laet. Bom had zich even ervoor, in september 1840, in de Kalverstraat gevestigd, waar hij zowel antiquariaat als nieuwe werken in commissie verkocht, voornamelijk kinderwerkjes, prentenboeken en toneelstukken. De brief van Immerzeel bleef niet bewaard, wel De Laets bevestiging van 6 maart:

 Aen den Wel-edelen Heer J.Immerzeel, junior, te Amsterdam Wel Edele heer, Het ontvangen van UWEd geëerde van 28 February laetsleden heeft my een waer genoegen gebaerd, mits ik er uit geleerd heb dat voortaen onze letterkundige betrekkingen met onze taelbroederen uit Noord-Nederland waerlyk mogelyk zullen worden. Dit waren wy niet voor UWEds vermogende bemiddeling de onoverschrydbare hinderpalen, welke wy tot hiertoe ontmoetten, had uit den weg geruimd. Hiermede, WelEdele Heer, hebt gy een groot goed daergesteld, de geestvereeniging tusschen beide takken Nederland’s herbonden en ten hoogste de dankbaerheid van alle belgische schryvers verdiend. Want denk niet, Mynheer, dat ik, als sommigen, het licht onder den kandelaer houden wil; neen! reeds heb ik verscheidene letterkundigen met de voorwaerden van den Heer Bom bekend gemaekt, en allen hebben my verzekerd bereid te zyn, zoo haest de gelegenheid zich aanbiedt, met ZEd in onderhandeling te treden. Eenige ligte wyzigingen hebben zy en ik echter aen gezegde voorwaerden bedongen. UEd dezelfde hier te doen kennen ware overbodig daer ik die ten volle aen den Hr Bom gechreven heb. Ik twyfel geenzins of ZEd. zal in derzelver aenneming geene bezwaernis vinden. Nog, WelEdele heer, heb ik UWEd. te bedanken om de welwillendheid met welke UWed. ons laet hopen in een of ander Hollandsch dagblad eene beoordeling over de belgische boekwerken te zullen plaetsen. Buiten dat dit ons altoos als publiciteit voordeelig zyn moet, heeft het nog een hooger nut in zich, namelyk ons met het gevoelen van eenen van Neêrland’s beroemdste letterkundigen over den gang onzer litteratuer en onze individuele waerde, bekend te houden. De raed dien UWEd. my geeft, nergens dan by den Hr.Bom in commissie te zenden zal ik stiptelyk nakomen, en ook de andere wenschen welke UWEd. geuit heeft zullen niet min stiptelyk volbragt. Het spyt my innig, WelEdele Heer, UWEd. tot heden geenen anderen blyk van myne ware erkentelykheid te kunnen geven. Ik wensche dat ik een of andermael UWEd. in belgië tot iets van nut zal mogen zyn, want ik heb veel liever myne dankbaerheid met werken dan met woorden uittedrukken. In afwachting bid ik U, WelEdele Heer, de verzekering myner bezondere hoogachting willen aenvaerden en my aentezien als UWEd. dienstwilligste en gehoorzaemste dienaer JohanalfdeLaet Antwerpen, 6 Maart 1841 N.S. Volgens UEds verzoek, heb ik mynen vriend Van Kerckhoven den inhoud van UWEd. geëerde getoond. Hy dan ook kent UWEd aengewende moeite en gebleken dienstwilligheid, gelast my UEd in zynen naem hartelyk te bedanken en neemt de vryheid UWEd. als een gering geschenk, zyn pas uitgekomen dichtstuk, aentebieden.

 Het Huis van Wesenbeke

Advertentie Huis van WesenbekeBom liet er geen gras over groeien. Reeds op 11 maart 1841 zocht hij intekenaars voor Het Huis van Wesenbeke in het Algemeen Handelsblad. Dit liep quasi gelijk met de verspreiding van het prospectus in Vlaanderen. (zie bv het maart nummer van De Noordstar) Bom mikte in het bijzonder op de leesgenootschappen en leesbibliotheken, een fenomeen dat in Vlaanderen nauwelijks bestond. Hij gebruikte de goedkopere prijs als verkoopsargument. Men kon geen zichtexemplaren aanvragen, wel een gratis prospectus. Net als Messchert stuitte zijn initiatief op weerstand in het “Boekhandelscollegie”. Bom beschreef De Laet hoe een der directeuren “zijne stem verhief en de Confraters wees op de nadeelen, welke, indien zulks meer geschiedde, daardoor aan de Nederlandschen Boekhandel zouden berokkend worden, vermaande HEDe de handen ineente slaen en tegentewerken al wat mogelyk was om dat vreemde goed te weren etc. etc.” Na dit eerste schot voor de boeg bleef het stil. Dit lag aan De Laet die er pas eind april 1842 in slaagde om zijn roman af te werken, te laat om hem nog door de inmiddels overleden Immerzeel te laten recenseren. Op 21 april 1842 werd de publicatie geadverteerd in het Algemeen Handelsblad, opnieuw met een oproep aan de leesgenootschappen en leesbibliotheken, 4 dagen later aan de “romanlezers” samen met werk van Walter-Scott. Op 4 juni vinden we een advertentie terug in de Opregte Haarlemsche Courant. Iets later werd Het Huis van Wesenbeke even vermeld in het Nieuwsblad voor Bibliographie, kunsten en wetenschappen, het bijblad bij het Utrechtse Historisch Tijdschrift. Geen toevalstreffer, want hoofdredacteur L.G. Visscher had een duidelijke band met België. Hij was professor te Leuven geweest en had een prominente rol in het genootschap Concordia. De verkoop kwam nog niet echt op gang, lijkt me. Aan de promotie van Bom lag het alvast niet, want in augustus en september adverteerde hij in verschillende dagbladen, voor het eerst onder de hoofding “Belgische litteratuur”. Op 9 december volgde dan eindelijk een gunstige bespreking in de Evangelische Kerkbode. Tekenend: geen letterkundig tijdschrift, ook de recensent Jacobus Borsius had geen literair profiel. Het is vooral de strekking van de roman die aan bod kwam. In de beeldvorming van de gebeurtenissen van de zestiende eeuw en de veroordeling van de inquisitie werd de zelfstandigheid van de schrijver geapprecieerd, “dat hij niet vraagt naar hetgeen aan eene magtige partij al of niet welgevallig zijn zal, maar alleen wat de Geschiedenis hem als waarheid leert kennen.” Borsius was goed geïnformeerd. Er wordt uitvoerig geciteerd uit de positieve recensie van De Noordstar, maar ook uit kanunnik Davids veroordeling van het werk in De Middelaer. Dit hoefde in Nederland niet bepaald een nadeel te zijn, waar een zeker voorbehoud bestond tegen de katholieke strekking van Vlaamse werken. Bom trachtte het succes meteen te verzilveren met advertenties in het Algemeen Handelsblad, begin 1843 ook in de Opregte Haarlemsche Courant. books-nlTegelijk bracht hij de Faustvertaling van Vleeschouwer en de tweede uitgave van Consciences werken onder de aandacht. Twee maand later meldde hij De Laet dat zijn werk in naam kwam (brief bij Jacob). Er waren net 35 exemplaren de deur uit en hij had er bijbesteld omdat er nu vraag van de buitensteden kwam. Hij adverteerde nu naar andere boekhandels in het Nieuwsblad voor den Boekhandel (02/02/1843) en er volgde een tweede recensie in de Vaderlandsche Letteroefeningen. Opnieuw werd de strekking geviseerd. Er is sprake van godsdienstige verlichting, verdraagzaamheid. De ontvangst is positief. Het wordt aanbevolen als een werk met verdienste, ondanks de onzuivere Vlaamse taal en spelling. Zonder er dieper op in te gaan, omdat het een buitenlands werk betreft. Een uitspraak die technisch gezien uiteraard klopt, maar reeds de verwondering werkte van verschillende commentatoren. Het drukte immers ook uit dat de Vlaamse literatuur geen deel uitmaakte van hetzelfde literaire systeem. Alles bij elkaar genomen, kunnen we besluitend wel stellen dat De Laets entree op de Nederlandse markt niet onopgemerkt ging, al dienen we de impact te relativeren. In de decennia daarop duikt Het Huis van Wesenbeke nog een aantal keer op als waardebepaler voor de Vlaamse literatuur. In 1846 drukt J.I.D. Nepveu in het Algemeen Letterlievend Maandschrift zijn teleurstelling uit over de letterkunde uit het zuiden: onvoldoende literair, maatschappelijk te anders. De Laets historische roman, bij naam genoemd, is een van de weinige uitzonderingen. In 1860 wordt hij omschreven als “eigentlijk de eenige goede historische roman die de jongere vlaamsche letterkunde heeft aantewijzen” (Vaderlandsche Letteroefeningen).

Buschmann en Conscience

fomu-buschmann

Joseph Ernest Buschmann (FOMU) FMA-B-143-005

De Laet bracht Bom in contact met de Antwerpse uitgever Joseph Ernest Buschmann, wiens publicaties hij verdeelde vanaf 1843. Pas opgestart en opgeleid in Parijs ontpopte Buschmann zich al gauw tot een van de eerste Vlaamse uitgevers in de moderne betekenis van het woord. Hij zette het jaar in met zijn eerste Nederlandstalige uitgave: Hoe men schilder wordt van de inmiddels bekende Conscience. De novelle was eerder verschenen in het letterkundig tijdschrift De Noordstar. Vermoedelijk was het Consciences bedoeling om het op te nemen in het – uiteindelijk niet verschenen – vijfde volume van zijn Verzameld Werken bij De Cort, voorafgegaan door Het Wonderjaer (1) en De Leeuw van Vlaenderen (2-4). Buschmann opteerde ervoor om het apart uit te geven, goedkoper en elegant uitgevoerd. In januari bestelde Bom 50 exemplaren plus nog eens 40 à 50 afhankelijk van de voorwaarden. Hij verwees naar een gunstige bespreking van Consciences werk in een Nederlands tijdschrift (januari 1843? Nog niet teruggevonden). De uitgave was helaas op twee weken tijd uitverkocht. Behalve Conscience verdeelde hij ook werk van andere Antwerpenaars als Pieter Frans Van Kerckhoven, Theodoor Van Ryswyck en Hoogenveen-Sterk. Het ging niet om een exclusiviteitscontract. Ook Aewerdonck en Muller verdeelden Antwerpse werken. Wellicht wilde men vanuit Antwerpen de Nederlandse steden rechtstreeks bereiken, zonder centrale tussenpersoon. Voor de tweede uitgave van Consciences werken verscheen een gezamenlijke advertentie Bom Muller Aewerdonck. In de marge waagde ook de Antwerpse boekhandelaar Van Dieren zijn kans in Nederland.

De ontvangst in Nederland ging twee richtingen uit. Het gewijzigde Wonderjaer werd zeer kritisch besproken omwille van de strekking. Noemde het Algemeen Letterlievend Maandschrift het in 1843 nog een “geestelijken roman”, dan had De Recensent, ook der Recensenten het iets later over “een vod”, “op aandrang van de ultramontaansche partij in België naar haren geest verknoeid”. Als bron werd verwezen naar de brochure De vryheid van Onderwijs in België. Waarschuwing voor Noord-Nederlanders (Utrecht, L.E. Den Bosch en zoon, 1844), dat tevens vaststelde dat de Kindergedichtjes van Van Alphen hetzelfde lot ondergingen. Potgieter vond dat Conscience zich te veel door het werk van Félécité de la Mennais laat beïnvloeden. Hij noemde het “door geloofsijver verblind” en vatte in De Gids fijntjes samen: Het Wonderjaer kan niet op Nederlandse sympathie rekenen, om dezelfde reden die het in België populair maakt (1844). Het lijkt er op dat de strekking, eerder dan het literaire aanleiding gaf tot beoordeling, want over de Leeuw van Vlaenderen bleef het opvallend stil. In een brief aan Potgieter verweet Willems hem dat hij de verkeerde werken kiest. Iets later uitte ook Wolf in het Vlaamse De Broederhand zijn spijt over het feit dat het succes van Conscience en de Vlaamse literatuur in het buitenland vooral door minder hoogstaande genres bepaald werd. De zedenromans deden het immers bijzonder goed, ook in Nederland. “Iets nieuws, Iets keurigs”, adverteerde Bom. Wat een moeder lijden kan vond men “een lief boekje, op levendige en indrukwekkende wijze geschetst” (De Recensent, ook der Recensenten) “een meesterstukje van ongekunstelden schrijfttrant, van innig gevoel” (De Gids). De verhalen waren moreel verantwoord, maar niet religieus gemarkeerd. In Hoe men schilder wordt, bv, waardeerde men de “naïven, hartelijken toon”. Er straalde bovendien “meer mensenkennis, meer waar gevoel en leering door, dan in een dozijn der hedendaagsche Fransche romans” (Algemeen Letterlievend Maandschrift 1843) Het was “een gulden boeksken vol waarheid, wijsheid en leering” (Vaderlandsche Letteroefeningen). Zoals we ook al voor de Britse receptie zagen, lijken de eisen van het Vlaamse lezerspubliek Consciences zedenromans zeer geschikt te maken voor specifieke lagen van het buitenlands lezerspubliek. Meer dan eens werd het in verband gebracht met vrouwelijke lezers (o.m. Vaderlandsche Letteroefeningen 1843 en 1844). Ze maakten deel uit van een internationale markt voor sentimentele fictie en zijn aangename lectuur “ook voor onze vrouwen en huismoeders”. De populaire uitvoering, bevallig en net, in klein formaat met houtgravures wordt in dit kader telkens geloofd. De Recensent, ook der Recensenten vond het een voorbeeld voor Nederland, waar men te trouw was aan het “pruikerige” octavo formaat, ook als het om vluchtige literatuur ging.

books-hmsw1844 was het jaar van de doorbraak van Conscience. In februari verscheen Potgieters artikel in De Gids en in april figureerde hij reeds in advertenties als “den beroemden schrijver”. In juni werd hij voorgedragen als lid van de Nederlandse maatschappij voor letterkunde. In het begin van het jaar was de eerste Nederlandse editie verschenen van Hoe men schilder wordt. Feitelijk ging het om de tweede editie, die tegelijk in zuid en noord verspreid werd. De Nederlandse versie had Bom als uitgever, maar vermeldde Buschmann als drukker. Voor zover mij bekend ging het om dezelfde tekst. Dat was niet meer het geval voor Het geredde huisgezin (Conscience naverteld), een bewerking van Wat eene moeder lyden kan, die kort daarop in het Nederlandsch Museum verscheen. Dit populaire tijdschrift, een kleurrijke verzameling verhalen en populaire non-fictie, bevatte zowel oorspronkelijke stukken als buitenlands werk. Een soort reader’s digest-achtige uitgave [Matthijsen] Gezien het meestal om bewerkingen of vertalingen ging, vielen die niet onder het auteursrecht. Ook Conscience, inmiddels bekend genoeg om bij name genoemd te worden, ging door de molen. Stijl en taal werden grondig vernederlandst. Persoonsnamen (Sus > Frans) en culturele verschillen (kachel > haard) werden aangepast. Meest opmerkelijk: Alle Antwerpse couleur locale (straatnamen bv.) werd verwijderd, zodat de tekst heel universeel aandeed. Het Antwerpse Kunst- en Letterblad reageerde verontwaardigd. Het werk heeft alle eenvoudigheid verloren en is nu zo suikerachtig alsof het een dag in de honing gelegen heeft. De uitgave heeft Conscience en zijn uitgever de markt ontnomen. Er is sprake van “bloedzuigers”, “dievery” en “onbeschaemde geldgierigheid van industrieelen”. Schleijer reageerde. Het zou gaan om een vertaling uit de Duitse novellenbundel Dreizehn. Ein cyclus von Novellen (Herbig, 1843), gemaakt vooraleer de Buschmann-uitgave verscheen. Dit klopt inderdaad. Herbig was de uitgever van het Duits-Belgische tijdschrift Die Grenzboten, geredigeerd door Ignaz Kuranda, waarin een heel vroege vertaling verscheen onder de titel Was eine Mutter leiden kann (1842) op basis van De Noordstar. Het jaar daarop werden de in het tijdschrift verschenen novellen gebundeld in een zelfstandige bloemlezing. Contrefaçon of niet, het blijft een dubieuze kwestie. Uit de vergelijking van de teksten blijkt bovendien dat de bewerking grotendeels van Nederlandse makelij was. De Duitse versie blijft heel dicht bij het origineel (oa. Antwerpse setting). Voor de petite histoire: enkele jaren later insinueerden Consciences letterkundige vijanden Sleeckx en Van Kerckhoven dat Conscience zelf in Nederland van plagiaat beticht werd van een Duits origineel (Vlaemsche Stem, Vlaemsche Rederijker en Bijdragen van het Nederduitsch tael- en letterkundig genootschap te Brussel).

In 1850 gebeurde nog eens hetzelfde. Toen verscheen Ciske van Roosmaelen in een vertaling van pastoor G. Kok naar het Frans bij Zweers & Breukman te Amsterdam, een uitgave die unaniem veroordeeld werd. Een ander nadrukgeval betrof Pieter Frans Van Kerckhovens roman Jaek, of en arm huisgezin, zij het dat enkel de spelling aangepast werd. Langs beide kanten van de grens waren er inmiddels initiatieven om het respecteren van het auteursrecht bij de koning te bepleiten. In Nederland leidde een verzoek tot de koning eind 1843 tot een herbevestiging van de bestaande wet van 1817 in plaats van de gevraagde uitbreiding. In België konden katholieken (pro afschaffing) en liberalen (contra) het niet eens worden, met de diplomatieke betrekkingen met Frankrijk in de achtergrond. Concrete petities in die periode zijn me niet bekend, wel een brochure van Muquardt gericht aan de kamer om de afschaffing van de nadruk te bepleiten. Een aantal jaren later zou de thematiek wel aangekaart worden als gevolg van de Nederlandse congressen. Ook de Société des Gens de Lettres nam een gelijkaardig initiatief in  1849.

 Van Bom naar Fuhri

Koenraad Fuhri (UB Leiden)

Voor uitgever Buschmann maakte het internationale deel uit van zijn marktstrategie in samenhang met de groeiende naambekendheid van Conscience. Zo lanceerde hij in 1844 zijn Nederduitsche Kunstbibliotheek met Siska van Roosemael als eerste in de reeks. Het werk werd meteen verdeeld in Nederland via Bom (Amsterdam), Aewerdonck (Rotterdam) en de gebroeders Muller (‘s Hertogenbosch), in Duitsland via Marcus (Bonn), Jugel (Frankfort), Mayer en Muquardt (Leipzig). De contacten wisselden. Van het tweede stuk, Ledegancks Het Burgslot van Zomergem vond ik een exemplaar terug in een Duitse co-editie met Welter’s Buchhandlung (Keulen) en Baümer & Stienen. Een bijkomende troef was het vastleggen van de Commissiespelling in 1844, die het schriftbeeld van de Vlaamse letterkunde dichter bij het Nederlands bracht. Die werd door progressieve flaminganten ondersteund. Van der Voort stelde bijvoorbeeld: “Notre marché sera plus vaste, nous aurons une débouché pour notre littérature et avec lui nous pourrons devenir grands, nos richesses littéraires se développeront.” Muquardt daarentegen betwijfelde of de Vlaamse letterkunde in zijn huidige vorm op het buitenland kon rekenen. Samen met Victor-Hubert Delecourt vond hij de aansluiting bij het Duitse taalgebied interessanter omdat zo een miljoenenpubliek binnen het bereik kwam. In een interessant essay over de nadruk ontwikkelt Delecourt een visie op België als een bemiddelaar tussen de Europese grootheden via internationale vertalingen (De Broederhand 1846, deel 1 en deel 2). Een voorbeeld hiervan was Buschmanns uitgave van de Memoires et Documents Inédits sur Antoine Van Dyck, P.P. Rubens et autres artistes contemporains vertaald uit het Engels van William Hookham Carpenter door Louis Hymans (1845). Met dit werk richtte hij zich duidelijk op een internationale markt op het Europese vasteland. Hij werkt hiervoor samen met K. Fuhri (Den Haag) L. Kohnen (Keulen) en Williams & Norgate (Edinburgh-London). Tot 1852 blijft Frankrijk moeilijk vanwege de nadruk. Het internationale maakt deel uit van Buschmanns commerciële strategie. Zo gaat hij in 1845 actief op zoek naar een Duitse uitgever om de kosten te delen voor de  houtsneden bij de derde editie van De Leeuw van Vlaenderen en een parallelle Duitse vertaling. [Brief Conscience aan Karl Andree 13/05/1845, uitgegeven bij De Groote 1967,151]

books-fuhriOok voor de wederzijdse verspreiding van elkaars werken in Vlaanderen en Nederland gaan Buschmann en Fuhri samenwerken. Volgens een bericht in de Nieuwsblad voor den Boekhandel gaat het dit keer wel om een exclusiviteitscontract. De werken zouden in een Nederlandse co-editie verschijnen. De prijzen zouden dezelfde zijn als in Vlaanderen en de Nederlandse boekhandelaren krijgen 20 pct rabat. Andere verkoopsargumenten zijn de keurige uitvoering, de onderwerpen (letterkunde en kunst) en de bekende namen in het fonds. Verder onderzoek op exemplaren zou moeten uitwijzen in hoeverre dit effectief gebeurd is. Mogelijk werd Zetternams Mijnheer Luchtervelde op die manier in Nederland verspreid. Ook in omgekeerde richting was dat het geval. Zo trof ik een exemplaar aan van het jaarboekje Aurora in co-editie met Buschman. Waarschijnlijk was dat ook het geval met de Negen novellen A.L.G. Bosboom Toussaint

In zijn Adres aan de boekverkoopers in Nederland (1846) toont Fuhri zich een erfgenaam van Messchert:

“Zijne Majesteit onze geëerbiedigde Koning, gehoor gevende aan onze billijke wenschen, heeft reeds den invoer der nadrukken weten te weren. Nu wij dit gewonnen hebben, maak ik mij niet ongerust over enkele boeken in de Vlaamse taal, hier te koop aangeboden. Het debiet in Nederland kan den Belgischen uitgevers geen zóó groot voordeel aanbrengen, dat velen zich daarop zullen toeleggen, terwijl ik het met wijlen een geacht Confrater uit Rotterdam eens ben, dat de toenemende beoefening der Vlaamsche taal eenen uitweg voor Nederlandsche boeken in België openen zal”.

Bibliografie, voor zover niet gelinkt

De brieven van De Laet aan Immerzeel bevinden zich in de KB Den Haag, signatuur 133 C11 (met dank aan de heer Van den Brink). De missiven van Messchert en Müller (1838) bevinden zich in de Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, archief KVB, inv. nr. A341 (met dank aan de heer Polak). De brieven van Bom aan De Laet en Buschmann zijn gedeeltelijk weergegeven in Jacob, A., Briefwisseling van, met en over Hendrik Conscience uit de jaren 1837 tot 1851. Gent, 1913-1914, deel 2. De briefwisseling Messchert-Willems is geciteerd naar Bols, J. (ed) Brieven aan Jan-Frans Willems. Gent, 1909. Alle advertenties zijn – tenzij anders aangegeven – teruggevonden via de Historische Kranten on line (KB Den Haag) Berg, Willem van den en Piet Couttenier, “Elk met zijn hoge hoed zijn eigen hoge hoed: Noord en Zuid in de negentiende eeuw”. In: Een of twee Nederlandse literaturen?: contacten tussen de Nederlandse en Vlaamse literatuur sinds 1830; onder redactie van Ralf Grüttemeier en Jan Oosterholt. Leuven, 2008, p. 11-24. Degroote, G. “Onuitgegeven en weinig gekende brieven van Hendrik Conscience (1835-1883) II”, Handel.K. Zuid-Ned. Maatsch. Taal- Lett. Gesch 21 (1967) p. 109-233. Deprez, A. “De Franse en Nederlandse nadruk in België : ‘La nation la moins littéraire du monde, puisqu’elle copie tout et ne produit rien’?” In: Vlaamse literatuur van de negentiende eeuw / Ada Deprez, Walter Gobbers (red.). Utrecht, 1990, p. 120-141. De Vroede, M., “Het orangisme in de Vl. Bew.”, in Nieuw Vl. Tijdschr., Ir, 1948, p. 964-995. De Vroede, M., “Willems, Potgieter en de Gids”, V.M.K.V.A., 1952, p. Dongelmans, Berry. “Wat baat ons de brug over den Moerdijk…”: de Vlaamse boekhandel 1845-1880 door Hollandse ogen bezien. In: Letters in de boeken: liber amicorum Ludo Simons; onder red. van Pierre Delsaerdt & Marcus de Schepper Kapellen, 2004, p. 170-178. Gubin, Eliane “Nationalité politique et nationalité linguistique : l’attitude du mouvement flamand à l’égard des Pays-Bas (1830-1860)” In: Colloquium over de geschiedenis van de Belgisch-Nederlandse betrekkingen tussen 1815 en 1945 , Brussel-Gent, 1982, p. 329-352. Keersmaekers, August. Hendrik Conscience: de muze en de Mammon. Gent, 2009. 324 p. Korevaart, Korrie. Ziften en zemelknoopen: literaire kritiek in de Nederlandse dag-, nieuws- en weekbladen 1814-1848. Hilversum, 2001. 504 p. Simons, Ludo “De Congressen 1849-1869 en de belangen des boekhandels” Negentiende eeuw 5 (1981), 2, pag. 104-114. Ter Haar, C., Nederland en Vlaanderen. Een onderzoek naar de houding der Nederlanders tegenover het Vlaamsche vraagstuk. Santpoort 1933. Van Hattum, M. “Hendrik Conscience en Nederland”, Ons erfdeel 26 (1983), 2, p. 177-190.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.